Ik verzamel winterschilderijen, en onlangs viel me iets op wat ik daarvóór over het hoofd had gezien. Kijk naar wat er op zo’n doek gebeurt: het hele dorp is op de slee of op het ijs. Rijk en arm, oud en jong, mannen, vrouwen, kinderen, honden — allemaal door elkaar. Geen ander onderwerp in onze kunst is zo democratisch, zo alledaags, zo weinig heroïsch. Er wordt geen veldslag gewonnen en geen koning gekroond; er wordt geschaatst, gekletst en gevallen. En tóch, lees de signaturen links of rechts beneden op het doek, en je ziet: de schilders zijn bijna allemaal mannen. Hoe kan het dat juist de meest gemeenschappelijke taferelen die we kennen, vrijwel uitsluitend door mannen zijn geschilderd?
Die vraag liet me niet los, en ik ben bewust vrouwen gaan zoeken voor mijn verzameling. Ze zijn er, maar zeldzaam, en het kostte me de nodige moeite. En al zoekend ontdekte ik niet het antwoord op mijn vraag, maar dat ik de verkeerde vraag had gesteld.
Vijf schilderessen
Want de handvol vrouwelijke schilders die ik nu in mijn collectie heb, vertellen niet vijf verschillende verhalen. Ze vertellen er één, vijf keer hetzelfde verhaal dus. De ene schilderes verborg haar eigen meisjesnaam achter een initiaal; de andere zette zélf een mannennaam onder haar kunstwerk, omdat “Jan Baks” nu eenmaal beter verkocht dan haar naam. Een derde, Marguerite Arosa, wordt in de boeken alleen nog gememoreerd als de vrouw die een genie leerde schilderen — haar leerling Gauguin werd onsterfelijk, zij een voetnoot. Een vierde kunstenares, Margriet Moyaert, bestaat in de encyclopedie enkel als “de muze van haar man“. En een vijfde vrouw vond ik pas toen ik het schilderij omdraaide: op de achterkant een lakzegel en een etiket, die naar een vooraanstaande Engelse gentry-familie Hargreaves verwezen. Via een lijvig familieboek — honderden pagina’s over de mannen van dat geslacht, en één regel over een vrouw die “toevallig ook” schilderde — kon ik haar traceren. Haar makerschap overleefde alleen doordat vrouwen uit haar familie, generaties lang, haar verfdoos bewaarden; dat was de biograaf opgevallen, en zo ontdekte ik, ‘by the way’, de maakster van mijn eigen doek.
Het patroon is duidelijk. Eeuwenlang was de weg naar het schildersvak voor vrouwen versperd: geen toegang tot academies, geen tekenen naar naaktmodel, en dus geen toegang tot het ‘voorname’ werk. Wat overbleef waren de ‘veilige’ onderwerpen: bloemen, stillevens, dieren en landschapjes. Een Haagse kunstrecensent verwoordde het in 1888 met ontwapenende vanzelfsprekendheid: “Het landschap, de bloemen, ziedaar het ware kunstdomein voor schilderessen.” En als er een vrouw tóch het serieuze werk schilderde, kwam dat meestal door toedoen van een man: een vader met een atelier, een echtgenoot, een leermeester.
Bloemetjes, hondjes en katten
Maar zo’n man was geen neutrale doorgang naar het Grote Werk; hij bepaalde óók bij welk genre de vrouw uitkwam. Barend Cornelis Koekkoek, de gevierde landschapschilder, leidde zijn vrouw en twee van zijn dochters op — en stuurde ze alle drie naar het genre van bloemen- en stillevens, wég van de winterlandschappen waarmee hijzelf naam maakte. Zijn ‘Teekenacademie’ in Kleve werkte naar levend model, met veertig leerlingen die allemaal man waren; een getalenteerde vrouw die aanklopte, kreeg wat losse lessen, maar geen plaats in het atelier — dat “ging in dien tijd niet zoo”. De enige deur die voor een vrouw openstond, leidde haar dus meestal omláág, naar het toegestane genre, en zelden naar het serieuze werk.
En stel dat ze dat genre tóch omhelsde, dan wachtte een obstakel dat je bij winterschilderijen gemakkelijk vergeet. Schilderen kostte geld, ruimte en tijd — een atelier, materiaal, modellen — en dat waren precies de dingen die een vrouw niet voor zichzelf mocht opeisen. En dan komt er bij het maken van winterschilderijen bovendien een exttyra belemmering bij. Het landschap gold op zich als ‘geschikt’ voor vrouwen, alleen: het bevróren landschap moest je buiten vangen, op het ijs, in de kou, urenlang, tussen vreemd volk. En juist dát was voor een fatsoenlijke vrouw ongepast. Het ene ‘serieuze’ onderwerp dat haar werd vergund, was in de winter het minst betamelijke om te maken. Geen wonder dat de vrouwen die de winter wél schilderden, dat vaak binnenshuis deden, uit het hoofd of naar een prent — met, zoals bij mijn Engelse schilderes, molenwieken die de verkeerde kant op draaien, omdat ze het buitenleven in Holland nooit had gezien.
Verdwijnen achter een mannennaam
Was het doek dan eindelijk af, dan volgde de meest ontnuchterende horde: haar naam was minder waard dan die van een man. Niet haar werk — haar naam. De begenadigde schilderes Henny Wessling verzon daarom een mannennaam, “Jan Baks“, en verkocht daar veel werk onder. En ook “B. de Vries” verdoezelde haar werkelijke naam — Bartha Mirandolle-de Vries, een felle advocate en bekende feministe — tot een kale signatuur die net zo goed een man kon zijn; zo verdween ze tussen honderd andere De Vriezen. De markt wees het schilderij niet af, maar kennelijk wel een vrouwennaam.
En dan is er nog de zachtste manier om te verdwijnen: voortleven als de inspiratiebron van een man in plaats van als de maker. Margriet Moyaert staat in geen enkele encyclopedie op eigen titel; ze bestaat er alleen als “de muze van haar man”. Aanwezig in de kunstgeschiedenis, maar niet als degene die het penseel vasthield.
De koningin van het genre
Bij elkaar opgeteld zou je verwachten dat geen enkele vrouw hier doorheen brak. Eén deed het — en juist zij bewijst dat het nooit om een gebrek aan talent bij vrouwen ging, maar om de kunstmatig gecreëerde drempels. Want daar had zij geen last van. Geld: ze was de rijkste vrouw van het land. Een overschaduwende echtgenoot: die was er niet. Zij was koningin, hij prins. Een gesloten academie? Haar leraren kwamen gewoon aan huis, de beste van de besten. Tijd en rust: in overvloed, op haar landgoed Het Loo. Ze had precies dát waar de schrijfster Virginia Woolf ooit om vroeg — geld en een kamer voor jezelf — maar dan in het kwadraat. In 1932 liet ze zich als ‘praktiserende schilderes’ balloteren en toelaten tot het bekende kunstenaarsgenootschap Pulchri. Ze vond het de kroon op haar werk. Over ‘kroon’ gesproken, het was koningin Wilhelmina. Volgens het overzichtsboek ‘Koningin Wilhelmina – schilderijen en tekeningen’ maakte ze minstens vijfentwintig winterlandschappen. De winter was haar fascinatie. Hoe dan ook, haal de drempels weg, en het zeldzame verschijnsel van de vrouw als ‘schilderes van winterlandschappen’ verdwijnt.
En toch, kijk ik naar mijn eigen muur, dan voltrekt zich daar, onder mijn eigen ogen, nog één keer hetzelfde drama. Van Wilhelmina, die de winter vijfentwintig keer schilderde, bezit ik niets. Van haar twee leermeesters — Louis van Soest, “de schilder van de sneeuw”, en Johan Windhorst — bezit ik wél werk. Wat ik van de meest toegewijde winterschilderes die ik ken, uiteindelijk in huis heb, zijn de werken van haar twee mannelijke leraren.
(Hieronder vijf schilderijen, gemaakt door koningin Wilhelmina)

