

Ik dacht dat ik het schilderij van een man kocht. Zo werd het althans op de veilingsite aangeprezen, als een werk van H. Wesseling. Deze Hendrik Jan Wesseling (1881-1950) was een gerenommeerde schilder, bekend vanwege zijn vrije, impressionistische stijl. Werk van hem bevindt zich in het Frans Halsmuseum in Haarlem en dat wil wat zeggen.
Mijn aankoop, het ijsgezicht, week nogal af van het genre waaraan hij zijn bekendheid ontleende: stillevens, portretten en stadsgezichten. Maar het had kwaliteit en was overduidelijk door een vaardige hand met prachtige licht-donker effecten geschilderd.
Bij zo’n sterk licht-donker-contrast spreekt men in de schilderkunst van ‘claire-obscure’. Deze techniek stelt de schilder in staat, behalve een beladen atmosfeer, vooral ook diepte, de derde dimensie dus, te suggereren. En sommige objecten kunnen extra benadrukt worden, zodat ze uitgeknipt lijken.
Elementair is de licht-inval. Maar hoe beeld je licht uit? Want het licht zelf is niet te schilderen. Veel grote kunstenaars hebben zich op dit vraagstuk geworpen en ieder heeft daarbij een eigen aanpak ontwikkeld.
Zoals gezegd, ik kocht het prachtwerk bij een veilinghuis. Maar toen ik het thuis bezorgd kreeg en de signatuur nog eens goed bekeek, zag ik dat er niet ‘Wesseling’ stond, maar ‘Wessling’. Ik miste dus een ‘e’. Ik besloot het werk desalniettemin te houden, puur vanwege de kwaliteit. Maar hoe ik ook zocht, over deze voortreffelijke schilder ‘H. Wessling‘ was helaas niets te vinden.
Maar onlangs viel mijn oog, stomtoevallig alweer, op een schilderij dat grote gelijkenis vertoont met dat van ‘mijn’ Wessling. Het bleek geschilderd te zijn door de Vlaamse schilder Charles van den Eycken die in 1809 in Aarschot het levenslicht zag. De man volgde een opleiding aan de Academie in Leuven en maakte reizen naar Holland, waar hij in musea zo geïmponeerd raakte door de schilderkunst uit de Gouden Eeuw, dat hij in de stijl van de Hollandse meesters begon te schilderen. Hij maakte meestal “atmosferische landschappen met claire obscure effecten” lees ik in een kunstmagazine.
Na deze ontdekking, wil ik mijn schilderij met de signatuur ‘H. Wessling’ aan een nader onderzoek onderwerpen. En zie op een sticker op de achterkant van het werk ‘Aarchot’ geschreven staan. Het is de Franstalige benaming van de Belgische stad Aarschot. Komt dit schilderij daar vandaan? Uit de geboortestad van Charles Van den Eycken, de schilder van het andere werk?
Het raadsel wordt steeds groter.
Dan zie ik op Marktplaats een advertentie. Een ’winterlandschap met schaatsers bij een molen’, gemaakt door Theresia Hendrika Wessling. Haar signatuur onder het kunstwerk ‘H. Wessling’ lijkt op die van mijn schilderij. De advertentie bevat summiere biografische gegevens over de schilderes. En zo kom ik eindelijk ietsje meer aan de weet over het werk dat bij mij thuis aan de muur hangt. Ik lees dat de schilderes op 12 december 1938 geboren is in Salatiga, een plaats op Midden-Java, en dat ze zomer- en winterlandschappen maakt en geëxposeerd heeft in de Grote Kerk van Breda. Haar schilderijen, zo lees ik, worden veel verkocht in Duitsland en België, ook onder het pseudoniem van ‘Jan Baks’.
Mannennamen verkopen klaarblijkelijk makkelijker, want ik zie dat op internationale veilingsites nogal wat schilderijen van ‘Jan Baks’ aangeboden worden, die men tegen stevige prijzen verhandelt. Ook het op Marktplaats aangeboden schilderij van ‘H. Wessling’, lees ik in de advertentie behoort “tot de hogere prijsklasse”.
Ik stuur de verkoper nu een afbeelding van mijn eigen schilderij van ‘H. Wessling’, met de vraag of hij het wellicht herkent. Het antwoord blijft niet lang uit:
“Ik ben John, de zoon van de schilderes. Wil jij het schilderij verkopen?”, vraagt hij aan mij.
Ik ga daar niet op in en stel mijn vraag nogmaals: “Is ook mijn schilderij door uw moeder gemaakt? Ik ben verzamelaar van winterschilderijen.”
De volgende dag krijg ik deze mail van John:
“Ja. Dit schilderij is 100% geschilderd door mijn moeder Henny Wessling. Wij hadden ooit het originele schilderij van Charles van den Eycken bij ons thuis. Mijn moeder heeft het schilderij twee keer nageschilderd. Eentje voor mij en een voor mijn broer. Mijn broer heeft zijn schilderij nog steeds. Ik moest mijn schilderij 30 jaar geleden verkopen aan een antiekwinkel in Etten Leur.”
“Wat boeiend allemaal”, mail ik hem. “Je vertelt dat je het schilderij ‘moest’ verkopen. Waarom dan?”
Hij antwoordt: “Het was een moeilijke tijd voor mij, uit noodzaak.”
Dat klinkt niet best. Dus mail ik hem wederom: “Ik hoop dat het weer goed met je gaat. Je vertelde dat je meer afbeeldingen van schilderijen van je moeder hebt. Die zou ik inderdaad graag willen zien. Ze moet inmiddels op hoge leeftijd zijn, nietwaar? Schildert ze nog steeds?”
“Ja zeker”, zegt hij. “Het gaat allemaal goed met mij nu, bedankt. Mijn moeder wordt 86 op 12 December. Mam heeft een tijd niet veel meer geschilderd, wel wat schilderijen gerestaureerd die ik nu verkoop. Maar ze is dit jaar opnieuw begonnen met werk dat niet was afgemaakt.”
Ik bekijk nog eens de schilderijen van haar alter ego ‘Jan Baks’ op internet. Ze zijn leuk geschilderd, dat wel. Maar van een totaal andere kwaliteit dan het mijne. Dankzij die mannen-naam heeft ze kennelijk op de internationale kunstmarkt ‘naam’ gemaakt en staat ze zowaar te boek als ‘19e eeuwse meester’. Buiten haar weten om trouwens, want heel wat tussenpersonen en handelaren doen aan mythevorming om een ‘goede prijs’ voor een schilderij te krijgen.
Hoe dan ook, klaarblijkelijk heb ik haar meesterwerk (waarvan ik eerlijkheidshalve dacht dat een gerenommeerde man het gemaakt had) aan de muur hangen. Een schilderij dat, met een verfijnde techniek en een complexe lichtinval, laat zien wat ze echt in huis had. En bovendien getuigde van haar liefde voor haar twee zoons.
Als ze wilde verkopen, signeerde ze met de naam van de ’19e eeuwse’ meester ‘Jan Baks’, maar als ze iets waardevols wilde schilderen, zette ze haar eigen naam ‘H. Wessling’ op het kunstwerk.
