Er zijn schilders die moeilijk afstand kunnen doen van hun werk. Ze hechten zich aan het doek. Zo iemand was Johan Christoph Windhorst (1884–1970).
Hij hoefde niet van zijn werk te leven. Want toen hij in 1917 zijn aandelen in het familiebedrijf verkocht, was hij een vermogend man en kon hij, vanaf dat moment, helemaal zijn eigen weg gaan.
In eerste instantie wilde hij pianist worden. Pas toen hij ontdekte dat vooral het schilderen hem nog meer fascineerde — als een zoektocht naar de puurste vorm achter de zichtbare werkelijkheid — legde hij zijn ambities als pianist neer en verkocht hij zijn aandelen in de Schiedamse jeneverstokerij aan zijn broer. Het contact met zijn familie ging vanaf dat moment volledig verloren.
Dat hij een ‘echte’ kunstenaar kon worden, had hij mede te danken aan mevrouw De Flines.
Haar man was bevriend met Windhorst. Bij het echtpaar vond hij in Wassenaar niet alleen onderdak maar ook een atelierruimte. Mevrouw De Flines nam hem mee naar Italië om in de kunststeden inspiratie op te doen. Want voordat hij schilder kon worden, vond zij, moest hij zich eerst ontdoen van zijn zakelijke en praktische instincten. De ondernemer zat volgens haar nog diep verscholen in hem.
Napels vond hij in eerste instantie helemaal niet schilderachtig. Bij het zien van al die afgebladderde gevels zei hij: “Die mogen wel een likje verf hebben.” Maar mevrouw De Flines leerde hem de schoonheid ervan in te zien — de schoonheid van het onvolmaakte.
Het was het begin van een levenslange verbinding. Jarenlang had Windhorst bij de familie De Flines in Wassenaar een atelierruimte waarvan hij tot 1938 gebruik kon maken. Later, in 1950, verhuisde hij met mevrouw De Flines — inmiddels weduwe — naar Dieren. Ook daar had hij bij haar in huis een atelier ter beschikking. Was hij eenkennig? Zij zou de enige zijn die zijn overlijden meldde.
De familie De Flines was overigens geen gewone Wassenaarse familie. Het geslacht gaat terug tot 16e-eeuwse geloofsvluchtelingen uit het Noord-Franse Wattrelos die zich in Amsterdam vestigden als zijdelaken-wevers. Zij groeiden uit tot een van de cultureel meest betrokken regentenfamilies van de stad. Vrienden van Vondel, verzamelaars van Rembrandt. Het familiearchief beslaat de periode 1612 tot 1996 en berust in het Gemeentearchief van Amsterdam. Windhorst bewoog zich, kortom, in een milieu van cultuurpatronage met diepe wortels — niet als beschermeling, maar als gast en vriend.
Windhorst had geen opleiding aan een Kunstacademie genoten. In Schiedam had hij tekenles gekregen van een generatiegenoot, Jurriaan Zoetmulder. Verder nam hij schilder- en tekenlessen bij Frederika Broeksmit (1875–1945), een zeer verdienstelijke kunstenares die aanvankelijk nog in Rotterdam woonde. Wat later, nadat zij naar Katwijk aan Zee was verhuisd, nam hij bij haar ook etslessen. Broeksmit bracht hem in aanraking met andere kunstenaars en stimuleerde hem lid te worden van kunstenaarsverenigingen: zo werd hij lid van de Vereniging tot bevordering der grafische kunst, kortweg ‘De Grafische’ geheten, en van ‘De Onafhankelijken’. Diverse malen exposeerde hij op tentoonstellingen van beide verenigingen, maar bijzondere activiteiten ontplooide hij er niet.
Zijn schilderijen bij De Onafhankelijken behoorden vaak tot de duurste van het geëxposeerde werk — maar hij verkocht liever niet. Dat is de paradox die zijn hele leven samenvat.
In die beginperiode, die globaal duurde tot 1935, schilderde Windhorst vooral dorpsgezichten en berglandschappen uit Zwitserland, Zuid-Frankrijk en Italië. Hij was financieel onafhankelijk en kon zich vestigen waar hij wilde — zo verbleef hij ondermeer voor langere tijd in Lugano. Per fiets reisde hij rond door Italië en zelfs Noord-Afrika.
Op zijn eerste reizen nam hij zijn schildersdoos nog mee, maar na verloop van tijd maakte hij alleen nog schetsen en foto’s, die hij vervolgens thuis uitwerkte. Die omslag heeft grote stilistische gevolgen gehad. De impressionistische werkwijze vraagt om schilderen ter plekke, met een grote gevoeligheid voor sfeer en kleur van het moment. Een werkwijze achteraf geeft andere resultaten. Bij Windhorst leidde de omslag tot vereenvoudiging van vormen en tot een geheel ander kleurgebruik.
Omstreeks het midden van de jaren ’30 raakte hij bekend met de Oost-Aziatische schilderkunst. Die kennismaking sloot naadloos aan bij de richting die zijn werk al was ingeslagen. Hij haalde zijn kennis uit boeken en was lid van de Vrienden van de Aziatische kunst; regelmatig bezocht hij exposities van Chinese kunst in Amsterdam. In het bijzonder raakte hij in de ban van de schilderopvattingen uit de Chinese Soeng-periode (960–1276) — een traditie die streefde naar het weergeven van een geestesgesteldheid, bepaald door poëzie en filosofische beschouwingen over het wezen der dingen.
Vanaf dat moment vertonen zijn schilderijen verwantschap met de Chinese schilderwijze: sterk geabstraheerde voorstellingen, donkere lijnen op een lichte achtergrond. Zijn handtekening verving hij in deze periode door een monogram dat hij beter bij zijn werk vond passen — het kalligrafische karakter ervan sluit aan bij zijn gekozen stijl. Voor wie een werk van hem wil dateren: de overgang van signatuur naar monogram markeert de grens tussen zijn vroege en late periode.
Windhorst stond niet onverschillig tegenover wat er om hem heen in de kunst gebeurde. In een brief aan zijn leerlinge An Biesiot schrijft hij:
“Het is ontstellend te zien, hoe weinig jongeren nog kunnen schilderen. Vooral bij de abstracte schilders wordt maar vaak gekliederd met verf, liefst maar zo dik mogelijk. Zij zien het schilderen als gebruik van materie en beseffen niet dat de verf slechts hulpmiddel is tot het doel, namelijk het vertolken van zijn gevoelens. Zo heb ik juist andersom altijd zoveel mogelijk getracht te bereiken dat men van een schilderij niet meer aan verf denkt, doch de verf als het ware verontstoffelijkt is…”
Het is zijn enige bekende directe uitspraak over zijn zienswijze, en toont iemand die abstractie waardeert mits hij er het streven naar het wezenlijke in herkent. De modieuze variant — dik opgebrachte verf als doel op zichzelf — verwerpt hij, als een man op zoek naar de puurste vorm.
Werd het werk van Windhorst in zijn eigen tijd gewaardeerd? In april 1940, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, werd in de Haagse Koninklijke Kunstzaal Kleykamp een tentoonstelling van zijn werken georganiseerd, samen met werk van Wibbo Hartman en Romeo Dumoulin. Kleykamp was een begrip in Den Haag. Ook koningin Wilhelmina, die een bekwame schilderes was, exposeerde er haar schilderijen. Was het op haar voorspraak dat het werk van Windhorst die eer ten deel viel? Want Windhorst was een van haar leermeesters.
Er kwamen die aprilmaand verschillende kunstcritici naar de tentoonstelling die zeer verdeeld reageerden. In de Haagsche Courant vraagt de kunstrecensent zich af waarom de schilderijen van Windhorst zo weinig indruk op hem maken: “Vermoedelijk door een zekere kilheid en doodschheid, een afwezigheid van temperament, van trilling in het licht, van warmte in de kleur.” Even verderop: “De werken zijn veelal te vaag om de belangstelling vast te houden.”
Op diezelfde tentoonstelling liep een andere verslaggever rond, ditmaal van De Maasbode. Hij was dolenthousiast: “Deze schilder heeft een interessante, bijna dromerige techniek, waardoor zijn doeken veel weg hebben van vizioenen.” Anders dan zijn collega was hij zeer te spreken over het kleurgebruik: “Terwijl zoveel schilders zich te buiten gaan aan de kleur en vaak aan de kleur alleen en bijna kleurdronken worden, dringt Windhorst haar terug naar haar functie in een monumentaal geheel.”
Ik weet niet of de kritieken, vernietigend of lovend, enige invloed op Windhorst hadden. Eén ding is zeker: hij vervolgde autonoom zijn eigen weg.
Naast Kleykamp exposeerde hij ook bij Kunstzaal Gebr. Koch in Rotterdam (1942) en bij Galerie Loujetzky in Den Haag (1953). Die laatste tentoonstelling, bij zijn 69e jaar, trok de aandacht van criticus Jos de Gruyter, die schreef dat het werk van deze teruggetrokken schilder “een aantrekkelijk, niet alledaagse stemming van voorname rust en hoge stilte van uit” ging. Windhorst was er trots op.
Na een beroerte in de jaren zestig kon hij een tijdlang zijn rechterhand niet meer gebruiken. Noodgedwongen maakte hij toen met zijn linkerhand kleine schilderijtjes in abstract geometrische vormen — misschien wel zijn mooiste werk.
Op 15 januari 1970 overleed Johan Christoph Windhorst te Velp, 85 jaar oud. De crematie vond plaats op 21 januari in het crematorium te Dieren. De enige kennisgeving was ondertekend door I. de Flines, Weteringlaan 15, Delft. Zijn trouwe metgezellin.

Naschrift:
Hierboven een klein schilderij van Windhorst dat geen titel draagt, geen datum, geen atelierstempel. Geschilderd op hardboard, 16 bij 12 centimeter. Gesigneerd met zijn handschrift — Joh. Windhorst — niet met het monogram dat hij later gebruikte. Het stelt een gedrongen gotische toren voor, zonder spits, oprijzend boven een nevelachtige voorgrond van bomen en een merkwaardig, ruïneus gebouw links.
De toren is hoogstwaarschijnlijk de Sint-Laurenskerk van Rotterdam. De rechtopstaande, half afgebrokkelde muur links doet het ergste vermoeden. Want wanneer zag het er rond de kerk zo uit?
We gaan terug naar de meidagen van 1940. Windhorst stelde destijds zijn werken tentoon in ‘Huize Kleykamp’ in Den Haag. De expositie liep tot 5 mei 1940. Negen dagen later, op 14 mei, werd Rotterdam gebombardeerd. De Laurenskerk werd zwaar beschadigd: het schip brandde uit, de houten bekroning van de toren — aangebracht door Hendrick de Keyser in 1619 — ging in vlammen op. Wat overbleef was een gedrongen, afgeknotte toren zonder spits, met daarnaast de uitgebrande ruïne van het schip en de skeletten van omliggende panden.
Windhorst kende Rotterdam. Hij had er immers in zijn vroege jaren tekenles genoten, bij Juriaan Zoetmulder en Frederika Broeksmit. Hij was er in april 1942 terug voor een tentoonstelling bij ‘Kunstzaal Gebr. Koch’. Ergens in die tussenliggende periode — zomer of najaar 1940, of in 1941 — stond hij voor de Laurens, vanuit het zuidwesten, dichtbij genoeg om de toren gedrongen te zien, en schetste hij wat er over was van het gotische monument.
Thuis werkte hij het uit. Op zijn manier: de verf dun aangebracht, de vormen opgelost in sepia-nevel.
Het schilderij ging niet naar een tentoonstelling en absoluut zeker niet in de verkoop.
