
Een uitstapje naar een ander genre? Want van Conradijn Cunaeus (1828-1895) zijn eigenlijk geen winterlandschappen bekend. Hij vergaarde roem met portretten van dieren en dan vooral honden. En een enkele keer maakte hij een zomers landschapje.
We zien hier dus een uniek werkje van de man, een pentekening van schaatsers op het ijs. Was het een werktekening, bedoeld om er later een groot schilderij van te maken? Want het oogt levensecht, ‘en plein air’ gemaakt tijdens een ijskoude winter met veel vrieskou.
De achterkant van het papier wijst iets anders uit. Daar staat met potlood geschreven:”Een winterlandschap door den gedipl. schilder C. Cunaeus”, met vermelding van zijn adres: “Amsterdam, Prinsengracht 125″.
Dat woordje ‘gedipl.’ is veelzeggend en duidt op een examen werkstuk. Hij moet dat examen in 1848 bij zijn afstuderen aan de Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam maakte? Ook de kleding van de schaatsers wijzen die kant op: de kunstenaar toont geen historiserend tafereel, maar een winter zoals die daadwerkelijk werd beleefd in het midden van de 19e eeuw. De kleding van de afgebeelde figuren laat zich nauwkeurig dateren rond circa 1845. De mannelijke figuren dragen lange, rechte winterjassen zonder uitgesproken taille of verbrede schouders, typerend voor die periode.
Wilde hij zich na zijn studie toeleggen op het het schilderen van de winterlandschappen, dat juist rond 1850 razend populair was? Tegelijkertijd kwam er vanuit Engeland een ander genre overwaaien, dat van de dierportretten
Kennelijk speelde Cunaeus hierop in met portretten van dieren die hij een bijna menselijke expressie en persoonlijkheid meegaf. Een keuze die hem toegang verschafte tot het Amsterdamse patriciaat en in staat stelde, via schatrijke begunstigers, een groot netwerk op te bouwen.
Cunaeus werd een geziene figuur in de hoofdstad. ‘Arti et Amicitiae’ exposeerde zijn werken en hij was lange tijd voorzitter van deze vermaarde Amsterdamse kunstkring. In de pers werd hij veelvuldig geprezen om “zijne mooie honden, in wier vormen hij altijd wat edels wist te brengen.” Hij was ook nog eens lid van de Raad van Toezicht van het Rijksmuseum.
Voor de vermaarde en ietwat zonderlinge Amsterdamse kunstverzamelaar Edwin vom Rath schilderde hij rond 1890 diens mopshond. Met het fortuin dat zijn ouders in de suikerhandel hadden verdiend, kocht Vom Rath kunst. De ongehuwde en kinderloze rentenier woonde, na de dood van zijn ouders, moederziel alleen in het grote familiehuis aan de ‘gouden bocht’ van de Herengracht. De mopshond was in dat kolossale grachtenpand het enige gezelschap van deze schuchtere en bescheiden man. Hij hield zielsveel van het dier.
Het winterlandschapje dat Conradijn in 1848 als examen-werkstuk maakte, en kennelijk de goedkeuring van zijn klassiek geschoolde leermeester Jan Willem Pieneman (1779-1853) wegdroeg, is dus een zeldzaamheid in zijn oeuvre.