Je moet er echt naar zoeken. Er zijn in ons land maar weinig schilderijen gemaakt die de winterse noden in beeld brengen. Deze aquarel doet dat wel. Aan de kleding van het kind te zien, is het werkje gemaakt aan het eind van de 18e eeuw.
Een jongetje sleept een takkenbos achter zich aan die, zo willen we althans hopen, voor de vrouw in de deuropening bedoeld is. Want zij heeft het hout dringend nodig. Er komt geen rook uit de schoorsteen en het winterse landschap om haar heen oogt ijzig. Maar haar redding is nabij en in die zin is het uiteindelijk toch een hoopvol plaatje.
Tijdgenoten konden dit plaatje goed lezen, aanzienlijk beter dan wij. Zij zagen in een oogopslag dat er geen rook uit de schoorsteen van het huisje komt en begrepen duivels goed wat dat betekende. Kommer en kwel.
Een rokende schoorsteen was eeuwenlang het symbool van welvaart en we hebben er, tot in onze tijd toe, diverse zegswijzen aan overgehouden, zoals: “daar kan de schoorsteen niet van roken”. Of zoals ze in Tilburg zeggen: “de schaaw blòkt èn de môor wòssemt” (voor niet-Tilburgers: de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt).
De schouw stond niet alleen voor welvaart, maar ook voor warmte en gezelligheid. “Eigen haard is goud waard”. De kachel was het sociale middelpunt in ieder boerengezin, want hier vond men warmte, bij het haardvuur en bij elkaar. En het vuur was een van de schaarse lichtbronnen in een donker seizoen met lange en ijskoude nachten.
Ook in het volksgeloof speelden schouw en schoorsteen een grote rol. Menigeen was ervan overtuigd dat zij de rechtstreekse verbinding vormden met het luchtruim, dat akelig vol zat met allerlei kwade en goede geesten. Die geesten, maar ook heksen op hun bezemstelen, konden door de schoorsteen het huis in en uit komen.
Fabeltjes, oudewijvenpraat, lariekoek, apekool uit de oude doos? Welnee, want nog steeds zie je, in sommige huizen, elk jaar weer rond 5 december schoentjes voor kachel of haard staan. En niemand die het raar vindt dat de wortel die men ’s avonds in een van de schoentjes had gestoken, de volgende ochtend getransformeerd is in snoepgoed of een ander klein geschenkje.
De wonderen zijn de wereld nog niet uit.
Naschrift:
De hierboven getoonde aquarel is hoogstwaarschijnlijk van de hand van de Amsterdamse tekenaar en aquarellist Chrétien Du Bois (1766-1837) die ook op andere, zeer gelijkende kunstwerken de schaduwzijden van de winter vastlegde.
De jonge Chretien Du Bois was leerling van de Amsterdamse schilder Joseph Marinkelle (1732-1782). Over deze man treffen wij in het ‘Biografisch Woordenboek’ van Van der Aa deze merkwaardige beschrijving aan: “Marinkelle (Joseph), in de wandeling, omdat hij klein van stuk was, Marinkeltje genoemd, is in 1732 in Rotterdam geboren en vestigde zich als miniatuur-schilder te Amsterdam.”
Na het overlijden van zijn leermeester in 1782, ging de 16-jarige Chrétien in de leer bij de behangselschilder Jurriaan Andriessen (1742-1819) die hem onderrichtte in het schilderen van landschappen. Vervolgens voltooide hij zijn opleiding aan de Amsterdamse Stads Tekenacademie. Later zou hij daar zelf ‘leraar in de tekenkunst’ worden (en de beroemde literator en hoogleraar Jozef Alberdingk Thijm lesgeven) en weer vele jaren daarna toetreden tot het bestuur van deze school. In 1820 benoemde Willem I hem tot bestuurslid van de opvolger van de Tekenacademie, de door de koning opgerichte Koninklijke Academie der Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Het zou me niet verbazen als Chrétien du Bois op zijn aquarel de ontberingen van een specifieke, ongewoon strenge winter heeft vastgelegd, namelijk die van 1788-1789. Deze memorabele winter geldt als de koudste van de afgelopen duizend jaar en wordt wel de ‘Revolutie Winter’ genoemd. Waarom? Menig historicus beweert dat door toedoen van deze winter de prijzen van graan zo opgedreven werden, dat daardoor in West-Europa grote maatschappelijke onrust ontstond. In Frankrijk leidde dat tot de befaamde Franse Revolutie.
