
Ik ben aan de wandel met een Duitse professor. Zijn specialisatie? Wandelen. De man weet er alles van, of in ieder geval: bijna alles. Daarom wordt hij in Duitsland ‘de wandelpaus’ genoemd.
Hij neemt me nu mee op pad. Vandaag beklimmen we de burchtheuvel die boven het Duitse universiteitsstadje Marburg uittorent. Ik kan hem op het steile paadje amper bijhouden. Want ondanks zijn hoge leeftijd is professor Rainer Brämer verrassend goed ter been.
Speciaal voor mij heeft hij deze route uitgezocht. Want hij wil mij de werking van het landschap op de psyche, op mijn ‘geest’ wel te verstaan, aan den lijve laten ervaren. Op een gegeven moment houdt de professor me, op weg naar de hooggelegen burcht, staande. Is hij dan toch moe? Allesbehalve. Hij wijst naar het landschap, beneden ons in het dal, dat zich voor onze ogen ontvouwt. “Je hebt het zelf niet eens door”, zegt hij, “maar binnen 200 milliseconden heeft jouw brein in de gaten of het gebied dat ik je nu net laat zien leefbaar is. Je hebt in die minuscule tijd precies vastgesteld of er water is, vruchtbare grond en voedsel. Dat doe je allemaal met de overgeërfde oerinstincten van je voorouders.”
Datzelfde gebeurt je als je dit kunstwerk aanschouwt. In een oogopslag is het duidelijk: dit ijsgezicht straalt een en al veiligheid en vooral ook geborgenheid uit.
Het is, een jaar of 50 geleden, gemaakt door de illustrator François ten Have (1917-2002). Neem je de tijd en bekijk je de aquarel nauwkeuriger, dan ontdek je welke elementen van het werk die behaaglijke sfeer precies oproepen: de vrolijke drukte op het ijs, de gezellig keuvelende dames rechts in beeld en de lachende schaatsers in het midden met een dartele hond aan hun zijde. Verder zie je links iemand die onderuit gaat zonder zijn nek te breken, terwijl aan de rechterzijde een vredige boerderij afgebeeld staat, waar rook uit de schoorsteen kringelt. Hollandse molens en een fraaie wolkenlucht in de verte maken het gemoedelijke plaatje compleet. En dan is er nog de koek-en-zopie tent, waar mensen aan een tafel, dicht tegen elkaar aangedrukt, genieten van een kop chocolademelk.
Of is het koffie?
Want de maker van dit wintertafereel, François ten Have dus, verdiende zijn brood met reclamewerk voor koffie- en tabaksproducent Douwe Egberts. En als iets het intens kneuterige ‘Douwe Egberts levensgevoel’ van saamhorigheid uitstraalt, dan is het wel deze aquarel. Volgens de verkoper van de aquarel ontwierp Ten Have het kunstwerk voor de jaarkalender van het koffiebedrijf, ergens in de jaren ’60. Maar ik ontdekte dat het ontwerp de wikkel van de Coopvaert-tabaksblikken van Douwe Egberts sierde — Coopvaert, de ‘Geurige Naturel Pijptabak’ in een rond blik met houten deksel dat generaties rokers op de schoorsteenmantel hadden staan. Door de cilindrische vorm omsluit de aquarel van 17 bij 40 centimeter de blik als één doorlopend winterverhaal, zonder begin of eind.
Ten Have had ook andere opdrachtgevers voor wie hij grafisch werk produceerde. Zo maakte hij fraai gestileerde posters voor de Utrechtse Jaarbeurs, de NS, de Rotterdamse haven, maar ook voor Sail Amsterdam.
Ten Have kreeg landelijke bekendheid, toen hij in 1985 een complete Amsterdamse tram beschilderde met daarop abstracte afbeeldingen van talrijke schepen en zeilboten. Daarmee vroeg hij aandacht voor Sail Amsterdam. Later vertelde hij hierover: “Het was een hele klus. Veertien dagen zat ik te peinzen en schetsen te maken, voordat er een ontwerp kwam. Ik was me ervan bewust dat ik geen realistische afbeelding op de tram kon zetten. Het idealiseren en romantiseren van de werkelijkheid zoals ik bij Douwe Egberts gewend was te doen, was nu onmogelijk. Ik moest versimpelen. Ik moest iets maken dat in het voorbijgaan snel te zien zou zijn!”
Want zo’n tram gaat in een flits aan je voorbij…
Naschrift:
De aquarel van Ten Have oogt op het eerste gezicht oer-Hollands, maar wijkt toch sterk af van het genre. Anders dan bij de klassieke 19e eeuwse meesters die vaak enkelingen op een eindeloze ijsvlakte afbeeldden, zien we bij hem ‘overbevolkt’ ijs, veel mensen op een hoopje dus, waarbij ook de gelaatsuitdrukkingen van de mensen nadrukkelijk in beeld komen. Ze zijn dus aan de voorkant afgebeeld en hebben een gezicht, wat hoogst ongebruikelijk is voor de typische Hollandse wintertaferelen. Afwijkend is ook de hoge horizon die Ten Have hier laat zien. Daardoor krijgen de wolkenpartijen, die bij de traditionele Hollandse wintergezichten meer dan tweederde van het doek omvatten, amper aandacht. Terwijl de Hollandse meesters in de 19e eeuw, vooral een impressie wilden geven van de overweldigende natuur, wil Ten Have de wereld juist klein houden. Om daarmee de oer-Hollandse gezelligheid te benadrukken.
Toch staat Ten Have niet helemaal los van de traditie. Zijn ijsgezicht sluit aan op de wijze waarop Hendrick Avercamp (1585–1634) in de Gouden Eeuw ijsgezichten maakte: een panoramisch winterlandschap als verzameling van kleine menselijke verhalen. Net als Avercamp plaatst Ten Have rijk en arm naast elkaar op het ijs, en net als Avercamp is zijn werk in de eerste plaats een viering van de ijspret, niet van de overmacht van Moeder Natuur. Het verschil is dat Avercamp zijn figuren op veilige afstand houdt — als poppetjes in een groot landschap — terwijl Ten Have ze volop in beeld brengt.
