Schilders leven, dankzij hun werken, na hun dood voort. Dat geldt zeker voor Andreas Schelfhout (1787-1870) die ‘de grootvorst’ van de winterlandschappen genoemd werd. Naast Barend Cornelis Koekkoek (1803-1862) wordt hij gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van het genre.
Bij leven werd Schelfhout de hemel in geprezen en was hij, anders dan veel van zijn collega’s, een ‘grootverdiener’. Roem en rijkdom vielen bij hem samen.
Een gouden medaille in Antwerpen, een ridderorde, het jubileum van 1857 en een vorstelijke opdracht voor een porseleinservies markeren samen het hoogtepunt. De motor achter zijn faam was het hof. Koning Willem II — niet voor niets de ‘Kunstkoning’ — verzamelde naast Rubens en Van Dyck nadrukkelijk eigentijdse Nederlanders, en Schelfhout hoorde daarbij; via diens huwelijk met de Russische grootvorstin Anna Paulowna, de dochter van de tsaar, klonk zijn naam tot in Sint-Petersburg door. De overlevering wil dat “alle gekroonde hoofden van Europa” zijn atelier bezochten. Schelfhout was een geestige, graag geziene gast aan het hof van koningin Sophie, de echtgenote van Willem III; dichters als Bilderdijk en Nicolaas Beets bezongen zijn winterstukken. Hij leidde een leger leerlingen op — Leickert, Nuyen, Kleijn — en werd schatrijk. Toen hij in 1870 stierf, sprak zijn collega David Bles van werk dat “onsterfelijk schoon” was. Niemand sprak hem tegen.
Schelfhout schilderde een werkelijkheid die nog bestond: strenge winters waarin de vaarten en de Zuiderzee dichtvroren, waarin schaatsers, koek-en-zopie en botkloppen tot het dagelijks leven behoorden. Die herkenbaarheid was zijn fortuin. Zijn techniek gold als fabelachtig: het vermogen om het landschap te tonen zoals men het gráág zag, leek ongeëvenaard.
Na zijn dood veranderde het klimaat. Letterlijk en figuurlijk trouwens. De Kleine IJstijd, die ons land vanaf 1430 in zijn greep had, kwam ten einde. Langdurige vorstperiodes werden zeldzamer en het sneeuwde in die overgangsperiode vaker. Sneeuw werd een geliefd thema van een nieuwe generatie schilders. Met de doorbraak van de Haagse School en de invloed van het Franse impressionisme werd de waardering voor Schelfhout minder: men vond zijn werk achteraf te glad, te afgewerkt, te anekdotisch, te commercieel. Al in 1892 plaatste een Groningse krant “de verouderde kunst van Schelfhout” tegenover “het impressionisme van Breitner”. De scherpste stem was die van de kunstcriticus G.H. Marius, die in 1903 schreef dat Schelfhout zijn succesnummers “in ’t oneindige” had gevarieerd, tot het zien onderging in “een schilderen naar recepten” met “dat pommade-achtige” dat haar tegenstond; ter illustratie haalde zij Bosbooms gevleugelde uitspraak over Schelfhout aan: “die man kan fluiten bij zijn werk”. In 1929 werd Schelfhout gekarakteriseerd als “de eens zoo populaire en later weer wat vergeten maker van de Schelfhoutjes, waarvan er wellicht te veel zijn ontstaan” — het verkleinwoord, ooit een koosnaam, werd een vonnis. In 1943 gaf een recensent “gaarne alle Leickertjes en Schelfhoutjes cadeau”, en in 1957 luidde het oordeel: “wel virtuoos geschilderde, maar geestelijk toch wel erg lege doeken”. Één waardering overleefde de val, en het was uitgerekend een geleende: hij had (de impressionist) Jongkind opgeleid. Dankzij die ‘genealogische’ lijn — zijn leerling die wél naar het impressionisme leidde — bleef de meester overeind.
De herwaardering begon, veelzeggend genoeg, niet bij de kunstkenners die zich blind staarden op impressionisme, expressionisme, kubisme en (post-)modernisme, maar op de kunstmarkt. Precies honderd jaar na zijn overlijden, in de jaren ’70, trokken de prijzen aan; verzamelaars herontdekten Schelfhout. Het scharniermoment in de waardering kwam later, met de tentoonstelling ‘Onsterfelijk schoon’ (Ede, 2005) — het eerste grote overzicht sinds zijn dood. Vier jaar later toonde Quarles van Ufford in zijn promotie-onderzoek aan dat Schelfhout geen loutere navolger van de 17e-eeuwse Hobbema en Ruisdael was, of een simpele voorloper van de Haagse School, maar een zelfstandige grootheid. Dat was in 2009. De markt liep dus vóór op de academie en eerlijk is eerlijk: de musea ijlen tot vandaag de handel na.
Het kunstklimaat is veranderlijk. En het ‘echte’ klimaat ook. Wie nu voor een Schelfhout staat, ziet iets anders dan wat zijn tijdgenoten ooit zagen: de strenge winters die hij schilderde waren in zijn tijd nog normaal en zijn ‘bij ons’ sinds de laatste Elfstedentocht van 1997 bijna verdwenen. Zijn geschilderde ijs heeft het echte overleefd, en geeft nu, anderhalve eeuw na zijn dood, zijn panelen een weemoedige lading. Merkwaardigerwijs past die nostalgische stemming precies bij wat Schelfhout in zijn tijd aan zijn tijdgenoten wilde meegeven: een hunkering naar een geïdealiseerd verleden.
