Ergens in het noorden van Noorwegen, op een rotswand op het eiland Rødøy, kraste een van onze voorouders duizenden jaren geleden een figuur op twee lange latten, met een stok in de hand. Het is de eerste afbeelding van sneeuw die we kennen. Alhoewel: de sneeuw is niet afgebeeld, alleen de skiër. Maar zijn skilatten suggereren de aanwezigheid van onderliggende sneeuw.
Helaas is de oeroude skiër verdwenen. In de zomer van 2016 brachten twee tieners onherstelbare schade toe aan de 5.000 jaar oude rotstekening op Rødøya. Met de beste bedoelingen van de wereld begonnen zij met een scherp voorwerp rechtstreeks in de prehistorische rotstekening te krassen. Ze wilden de vage, duizenden jaren oude lijnen van de iconische skiër en een nabijgelegen walvis dieper uitkerven, zodat de afbeeldingen beter zichtbaar zouden zijn voor toeristen. Daardoor vernietigden zij de originele toplaag uit de steentijd. Archeologen bestempelden de goedbedoelde herstelactie direct als een nationale tragedie, omdat de authentieke, historische sporen hiermee voorgoed zijn uitgewist en vervangen door moderne krassen.
Is de denkbeeldige sneeuw die eronder lag dan ook weg?
Hoe dan ook, sneeuw spreekt tot de verbeelding. En om te begrijpen waaróm juist sneeuw dat doet — sterker dan een zomerweide, sterker dan een rivier — moeten we haar volgen langs alle gedaanten die ze heeft aangenomen: als woord, als lied, als gesuggereerd beeld, en pas heel laat als geschilderde kleur. Een kleur die, zoals we zullen zien, een geheim met zich meedraagt.
Het woord
Lang voordat iemand sneeuw schilderde, was er al een woord voor. Het oudste opgetekende Nederlandse ‘sneeuw’ duikt op in de 10e eeuw, in de Wachtendonckse Psalmen — Oud-Nederlandse bijschriften naast Latijnse psalmen. Daar staat het woord ‘snēo’, in een zin die zegt dat iets “door de sneeuw wit zal worden”. Let op wat dat betekent: de allereerste keer dat onze taal het woord opschrijft, wordtt het niet gebruikt om weer te geven dát het sneeuwt, maar als beeld van witheid. Sneeuw debuteert in onze taal, letterlijk, als kleur.
Voordat het voor het eerst opgeschreven werd, bestond het woord al in de spreektaal. Het is zelfs van een verbijsterende ouderdom en gaat terug op de Indo-Europese wortel sneigʷʰ-, dat al ‘sneeuw’ betekende in de tijd dat de voorouders van het Germaans, het Latijn en het Grieks nog één taal spraken. De rotstekenaar van Rødøy kende het woord dus. Later wordt sneigʷʰ in het Gotisch ‘snaiws’, in het Engels ‘snow’, Duits ‘Schnee’, Latijn ‘nix’, Grieks ‘nipha’. Onze ‘sneeuw’ heeft in het Sanskriet trouwens een ander familielid: het werkwoord snih-, “kleverig of vochtig zijn”. Sneeuw was, in haar oeroude betekenis, misschien wel het klévende, witte hemelgoed.
Het lied
Voordat de eerste sneeuw werd geschilderd, werd ze bezongen — en in die oude vertellingen was ze nooit onderdeel van een verstild landschap, maar een kracht. Homerus, 28 eeuwen geleden, grijpt er telkens naar. In het twaalfde boek van de ‘Ilias’ vallen de stenen en speren die Grieken en Trojanen over en weer naar elkaar slingeren zo dicht als de sneeuw “die Zeus de Raadsman over bergen, kapen en akkers uitstort tot alles versluierd is”. En wanneer in het derde boek de zwijgzame Odysseus eindelijk het woord neemt, komen zijn woorden “als winterse sneeuwvlokken”, onweerstaanbaar in hun overvloed. Tweeduizend jaar voordat een schilder zich over het wit van de sneeuw zou buigen, gaf een Griek in een dichtregel al een prachtige voorzet.
De oude verhalen
Sneeuw bezielt en intrigeert de mensheid uit alle windstreken. In de Noordse ‘Edda’ is ze kosmisch: de wereld ontstaat waar het ijs van Niflheim het vuur ontmoet, en aan het einde der tijden gaat de ‘Fimbulwinter’ aan de ondergang vooraf — drie genadeloze winters zonder zomer ertussen. In het Indiase epos de Mahabharata trekken de helden aan het slot de besneeuwde Himalaya in om te sterven. In de Oud-Engelse poëzie is de winter met zijn vorst het beeld bij uitstek van ballingschap en verlies. En in de Hebreeuwse traditie keert het wit terug als genade: “al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”. Overal hetzelfde: sneeuw als macht, beproeving, en reinheid — en telkens, onveranderlijk, als wit.
De heilige bergen
De bergen kennen een wit dat nóóit smelt, dat ook in de hoogzomer de kruin bedekt — en juist dat onvergankelijke wit kreeg een heilige betekenis. Want een top die altijd wit blijft, wijst voor iedereen in het dal op iets dat boven de wisseling der seizoenen uitstijgt. De sneeuwkroon maakte de berg tot drempel tussen aarde en hemel, tot woonplaats van wat eeuwig is.
Daarom is de Olympus de zetel van de Griekse goden: zijn besneeuwde top is letterlijk hun verblijf, boven de wolken, ontoegankelijk voor stervelingen. Daarom rustte de ark van Noach op de witte Ararat, de berg waar het leven na de zondvloed opnieuw begon. De Japanse Fuji is in het shintoïsme heilig en werd met onsterfelijkheid verbonden; zijn volmaakte witte kegel ís het goddelijke. De Kilimanjaro in Afrika draagt het wonder ten top — sneeuw en ijs op de evenaar, een witheid waar geen hitte bij kan. En de heiligste van alle besneeuwde bergen heet naar zijn sneeuw: de Himalaya, hima-ālaya, “verblijfplaats van de sneeuw”, woonplaats van Shiva, geworden tot god-berg.
En misschien verontrust ons dat in deze eeuw van klimaatverandering des te dieper, nu dat eeuwige wit sterfelijk blijkt. Het wit van de Kilimanjaro, de gletsjers van de Alpen en de Himalaya verdwijnen voor onze ogen. Het wit dat de mensheid duizenden jaren als zinnebeeld van het onvergankelijke koos, smelt weg — en de heilige bergen verliezen hun kroon.
Het gesuggereerde beeld
Keren we terug naar de skiër van Rødøy, dan zien we het patroon zich herhalen, nu in beeld. De oudste afbeeldingen van de mensheid tonen de sneeuw niet — ze suggereren haar. De grotschilderingen van Lascaux en Altamira kennen geen landschap, geen lucht, geen weer; de dieren zweven op de wand zonder bodem. Maar ze zijn gemaakt midden in een ijstijd, en de mammoet en het rendier zíjn schepsels van een witte wereld. De sneeuw is er als de afwezige omgeving van haar bewoners.
Tegen deze achtergrond duurde het verbazingwekkend lang voor de sneeuw zélf het onderwerp werd — voor iemand de moed had de achtergrond van een heel schilderij wit en dus koud te maken. In de fresco’s van het Italiaanse Trente zien we rond 1400 een sneeuwballengevecht van edellieden, en op het februariblad van het Getijdenboek van de Gebroeders van Limburg ligt een besneeuwde boerderij. Maar daar is de sneeuw nog een maand-aanduiding, een merkteken in de almanak van het jaar.
Bruegel: de winter wordt een wereld
Met Pieter Bruegel de Oude verandert dat. In zijn ‘Jagers in de sneeuw’ van 1565 is de winter geen kalender-aanduiding meer maar een wéreld met een enorme emotionele lading. De vermoeide jagers die met hun magere honden de heuvel afdalen, de honger die uit de schamele buit spreekt, de kou, de stilte, het korte grijsgroene licht: het is niet langer ‘januari’, het is de menselijke conditie in een bevroren dal. Bruegel toont de sneeuw, maar wat hij eigenlijk schildert is wat zij in ons losmaakt — precies de oude kracht van het oproepen, nu eindelijk op het paneel.
Van hand tot hand
En dan wordt het doorgegeven, van generatie op generatie. Toen de godsdienstoorlogen aan het eind van de 16e eeuw de Vlaamse schilders naar het noorden verdreven, namen zij hun winter mee. Vlaamse emigranten als Coninxloo, Bol en Vinckboons gaven het motief in Amsterdam door aan een doofstomme jongeman uit Kampen, Hendrick Avercamp, die het ijsgezicht tot een Hollandse specialiteit maakte. Van hem ging het naar de 19e eeuwse romantici, naar Schelfhout, en zo verder tot in onze tijd. Het genre dat in Vlaanderen werd geboren, reisde de eeuwen door van hand tot hand — telkens hetzelfde wit, telkens opnieuw geladen.
Het wit dat zichzelf verraadt
Wit maakt aanspraak op eeuwigheid. En inderdaad, eeuwenlang achtereen schilderden de meesters hun sneeuw met hetzelfde materiaal: loodwit, het enige echte wit dat men sinds de oudheid bezat. Bruegels sneeuw, Avercamps ijs, de winters van Schelfhout — chemisch hetzelfde warme, dichte, oude wit. Tot er in de 19e eeuw, dankzij de scheikunde, koelere alternatieven verschenen: het zinkwit (vanaf 1834 als “Chinese White”) en, in de 20ste eeuw, het felle titaanwit, dat pas in 1921 als olieverf voor schilders beschikbaar kwam.
Daarmee kreeg de sneeuw op schilderijen een eigenschap die haar wezen tegenspreekt. Want sneeuw líjkt de tijd op te heffen — ze wist uit, dekt toe, maakt alles leeftijdloos. En toch is juist het wit waarmee ze geschilderd wordt het meest nauwkeurig dateerbare wat een doek bevat. Houd een “17e-eeuwse” Avercamp onder de röntgenbundel, en als er titaan teruggloeit uit de sneeuw, heeft het schilderij schuld bekend: het kan niet zo oud zijn als de verkoper beweert. De sneeuw verraadt met haar eigen kleur het jaar van haar ontstaan. Het wit legt een deken over alles, verdoezelt daarmee de werkelijkheid misschien, maar verraadt zichzelf op elk schilderij.
Naschrift:
Hieronder de schilderijen van de Vlaamse schilder Hilaire Vanbiervliet (1890-1981) die ‘sneeuw’ op zijn schilderijen liet spreken.

