Duitsers kennen een haast mythische betekenis toe aan ‘het bos’. Voor een Fransman is dat ‘de zee’. Uit ‘la mer’ worden de wolken geboren. Zonder zee geen regen en hagel. Zonder zee geen sneeuw.
“La mer m’a donné sa carte de visite
pour me dire: je t’invite”
…zong Georges Moustaki die als geen ander de Franse ziel begreep. Het is dezelfde zee die voor Victor Hugo en zo veel andere Franse schrijvers en dichters de ultieme metafoor voor vrijheid was – grenzeloos, ongrijpbaar, niet te temmen.
De zee figureert ook herhaaldelijk op kunstwerken van de wereldberoemde Paul Gauguin (1848-1903). Je zou zelfs kunnen zeggen, zonder zee geen Gauguin. Maar weinigen weten hoe belangrijk ene Marguerite Arosa voor zijn carrière is geweest.
Maar in de vele biografieën over het roerige leven van Paul Gauguin, is Marguerite niets meer dan een voetnoot. Terwijl zij hem groot heeft helpen maken.
Maar de geschiedenis (niet voor niets ‘his story’ genoemd) behandelt wel meer vrouwen stiefmoederlijk.
Hoe kunnen we haar aan de vergetelheid onttrekken, want er is bar weinig over haar bekend? Wie was zij? Dankzij het feit dat de levens van de mannen die haar omringden, wel uitvoerig beschreven worden, komen we iets over haar aan de weet. Zo is bekend dat Marguerite Arosa in 1854 geboren werd in een welvarende Parijse familie van Spaanse afkomst. Haar vader, Gustave Arosa, was een invloedrijk financier, fotograaf en zelfs een sleutelfiguur in de Parijse kunstwereld. Deze ‘wereldburger’ was niet alleen een gepassioneerd kunstverzamelaar, maar ook een pionier in de fotografie.
De familie Arosa woonde in het hart van het artistieke Parijs: aan de Rue Henri-Monnier in het 9e arrondissement, de wijk die bekend stond als ‘La Nouvelle Athènes’. Zijn woning was niet zomaar een huis; het was een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en hing van de vloer tot het plafond vol met zijn indrukwekkende collectie realistische en impressionistische kunstwerken. Hun tweede huis, een prachtig buitenverblijf in Saint-Cloud, werd door vrienden liefkozend een ‘casa museo’ genoemd, ook al vanwege de enorme hoeveelheid kunst die er hing, werken van Delacroix, Courbet, Corot en Pissarro. Te midden van Spaanse keramiek en al deze moderne schilderijen, zou de jonge Paul Gauguin zijn eerste stappen als kunstenaar zetten.
Want na de dood van Paul Gauguins moeder in 1867 werd Gustave Arosa zijn voogd. De toen 19-jarige Paul bracht zijn vroege jaren door onder de vleugels van de Arosa-familie. Zijn pleegvader Gustave bezorgde hem zelfs een goedbetaalde baan als beurshandelaar en bracht Paul in contact met talrijke bevriende kunstenaars, onder wie Eduard Manet en Camille Pissarro.
Maar het was Marguerite die een beslissende rol speelde in Gauguins artistieke ontwikkeling. Zij had zelf al schilderlessen gevolgd bij gerenommeerde meesters als Félix Barrias – een academicus die ook Edgar Degas tot leerling had – en bij Armand Gautier, een realist en vriend van Courbet. Op zondagen trokken Marguerite en Paul Gauguin er samen op uit om landschappen te schilderen in de omgeving van Parijs en het buitenhuis van de Arosa’s in Saint-Cloud. Marguerite bracht daar de jonge Gauguin de basisbeginselen van het schilderen met olieverf bij.
Oefening baart kunst. Deze gezamenlijke sessies werd later door een enkele Gauguin-biograaf omschreven als een ‘prachtige stimulans’ voor de jonge, beginnende schilder. Hoewel Gauguin zichzelf in zijn (deels verzonnen) biografie graag als autodidact neerzette, iemand die zichzelf ontdekte en ontwikkelde, was het Marguerite die schilderen voor hem concreet, tastbaar en: begeerlijk maakte.
Misschien hoopte vader Gustave dat Paul en zijn dochter Marguerite ‘iets’ met elkaar zouden krijgen? Hoe dan ook, Gauguin koos uiteindelijk een Deens meisje als levenspartner en vertrok – na een tijdlang met Vincent van Gogh te hebben opgetrokken – richting de Stille Oceaan. Marguerite Arosa zou haar leven lang vrijgezel blijven.
Uit de moeizaam bijeengesprokkelde informatie, afkomstig uit krantenberichten en kunstcatalogi, kan ik opmaken dat Marguerite een eigen, indrukwekkende carrière opbouwde. Ze exposeerde regelmatig in de prestigieuze Parijse Salon tussen 1882 en 1900 en werd uiteindelijk onderscheiden als Officier d’Académie, een Franse eretitel die in 1808 door Napoleon Bonaparte werd ingesteld voor personen die zich verdienstelijk hadden gemaakt op het gebied van kunst en literatuur.
Toch ondervond ze als vrouwelijke kunstenaar ook de beperkingen van haar tijd – vrouwen werden systematisch uitgesloten van de kunstacademies en hadden vaak geen toegang tot essentiële lessen zoals tekenen naar naaktmodellen. Daarom werd ze lid van de ‘Union des femmes peintres et sculpteurs’, een vereniging opgericht in 1881 die vrouwelijke kunstenaars een platform bood om hun werk te tonen en te verkopen.
Haar kunstwerken – vooral landschappen, zeegezichten en portretten – werden door critici geprezen om hun kracht en realisme. In haar zeegezichten toonde zich een blik die kenmerkend was voor vele vrouwelijke kunstenaars van haar tijd: niet de zee als avontuur of verovering (zoals bij veel mannen), maar als spiegel van innerlijke gemoedstoestanden, als een plek van inkeer. Waar later schrijfsters als Marguerite Duras en Colette de oceaan zouden gebruiken als metafoor voor persoonlijke, emotionele verhalen, daar schilderde Marguerite Arosa de kust van Bretagne met dezelfde intieme, verinnerlijkte blik.
Menig 19e eeuws recensent sprak lovend over haar werk. Zelfs aan de overzijde van de grote plas, in de Amerikaanse krant ‘New York herald’ lees ik een positieve recensie over een van haar schilderijen. Zoals gezegd, zijn het vooral haar zeegezichten, gemaakt in Bretagne, die door critici geroemd worden.Dat gold niet voor een naaktstudie die ze maakte, die een vrouw op een rustbank toont. Dat schilderij veroorzaakte grote opschudding. Want een naaktschilderij door een vrouw, was voor veel (veelal mannelijke) recensenten nog steeds moeilijk te aanvaarden. Een van de weinige positief gestemde critici gaf zelfs een dubieus compliment, toen hij sprak van “een zeer mannelijk talent in een zeer vrouwelijk schilderij.”
Marguerite bleef, zoals gezegd, haar leven lang vrijgezel en woonde in het welgestelde 17e arrondissement van Parijs, in de wijk Plaine Monceau, het hart van een van de meest chique buurten van de stad waar de hogere bourgeoisie, financiers en kunstverzamelaars woonden.
Op 23 februari 1903, om tien uur ’s avonds, overleed Marguerite Arosa plotseling in haar huis. Ze was 48 jaar oud. Het overlijden werd bij de Burgerlijke Stand aangegeven door twee prominente buren: Georges Petit, een van de machtigste kunsthandelaren van Parijs die in hetzelfde gebouw woonde, en Jean-Baptiste Courtois, een makelaar. De omstandigheden – het feit dat buren het overlijden moesten aangeven, dat geen familie aanwezig was – wijzen op een plotselinge, onverwachte dood. Waarschijnlijk was buurman Petit bezorgd geraakt toen hij bij haar appartement aanklopte en geen gehoor kreeg en had hij daarna Courtois ingeschakeld, die mogelijk als makelaar een sleutel had van het pand.
Enkele maanden later, op donderdag 2 juli 1903, werden haar bezittingen – inclusief haar kunstcollectie en persoonlijke eigendommen – publiekelijk verkocht bij een veiling. Zo eindigde het leven van een vrouw die haar eigen weg baande in de kunstwereld, in de schaduw van de grote mannenfiguren om haar heen: haar vader Gustave en haar beroemdste leerling, Paul Gauguin.
De zee die Marguerite zo vaak en liefdevol schilderde, dezelfde zee die door zangers en dichters zo vaak bezongen werd, had ook Paul Gauguin zijn ‘carte de visite’ gegeven. Maar zonder de lessen van Marguerite Arosa, zonder haar zondagse sessies in de open lucht, zonder haar stille, sturende en stuwende aanwezigheid, zou hij die zee nooit hebben kunnen vereeuwigen.

