Koukleumende schaatsers op het ijs, een juweeltje van een aquarel. Minuscuul, want het werkje meet maar 6 bij 12 cm.
Iemand die op zo’n klein stukje papier zo veel kan uitbeelden moet een meester in zijn vak zijn. Dat was Jacobus van der Stok (1794-1864) absoluut.
Hij was ook plagerig, waarmee hij het nageslacht, en dan met name kunstkenners en antiquairs, veel hoofdbrekens bezorgde. Wat deed hij? Af en toe, in een speelse bui, had hij de gewoonte om zijn handtekening ergens op het schilderij te verstoppen. Of signeerde hij zijn werk ondersteboven of in dezelfde kleur als de achtergrond.
Menigmaal heeft hij zijn naam verborgen in een wolkenpartij, een ijsvlakte of op besneeuwde oevers.
Veel van zijn schilderijen zijn daardoor amper te onderscheiden van die van Schelfhout, de grootmeester van de winterlandschappen. Een ‘Schelfhout‘ levert aanzienlijk meer op, dus menig kunstkoper was zwaar teleurgesteld als een schilderij ‘maar’ een Van der Stok bleek te zijn.
Tot ver na zijn dood verweet men Van der Stok zelfs dat hij de verwarring had veroorzaakt door Schelfhout doelbewust te kopiëren. Inmiddels weet men beter en is men ervan overtuigd dat veel van Van der Stoks werken in originaliteit niet onderdoen voor die van de Schelfhout. De gelijkenis tussen de werken van beide meesters komt niet omdat Van der Stok ‘de grote Schelfhout’ kopieerde, maar omdat beiden kennelijk door dezelfde Zeitgeist én een groot talent geïnspireerd werden.
Jacobus van der Stok overleed op 4 mei 1864 in Nieuwer-Amstel, niet in zijn eigen huis, maar bij een weduwe op de Overtoom — een vrouw die kamers verhuurde of een logement dreef. Van der Stok was zeventig jaar oud. Na een leven van schilderen, lesgeven aan talentvolle nieuwkomers en exposeren had hij kennelijk geen eigen behuizing meer. Hij stierf dus onbemiddeld.
Schelfhout, zijn stilistische tweelingbroer, had daarentegen goed geboerd. Vorsten stonden voor hem in de rij. De schilder was beroemd en ontving voor zijn beste ijsgezichten enorme bedragen. Wrang is dat ook vervalsers (die een Van der Stok verkochten als een ‘echte’ Schelfhout) goed aan zijn werk verdienden. De ironie is bitter: de kwaliteit van zijn schilderijen was hoog genoeg om voor een Schelfhout door te gaan, maar als zijn eigen naam eronder stond, kon hij er amper van profiteren.
Zijn leerling, de schilder van stadsgezichten Cornelis Springer (1817-1891), verging het ook goed. De man, die van zijn leermeester Van der Stok een ‘oog voor detail’ had geleerd, groeide uit tot een van de meest gevierde schilders van zijn tijd, met verkoopprijzen die hem grote welvaart verschaften. Terwijl zijn leermeester zijn laatste levensdagen sleet in een pension van een kamerverhuurster, stierf Springer vele jaren later in welstand in een Gooise villa.
Het zat hem niet mee. Van der Stok had de pech dat rond 1860 de Romantiek begon te wijken voor het Impressionisme van de Haagse School. De goedmoedige, zachte, idyllische winterlandschappen met schaatsers en koek-en-zopie werden geleidelijk als achterhaalden sentimenteel beschouwd. Nieuwe namen, nieuwe stijlen, nieuwe prijzen. Voor een schilder van zijn generatie die nooit een vaste galerierelatie had opgebouwd of een koninklijke afnemer had gevonden, betekende dat een stille uitfasering.
De overlijdensadvertentie in het Handelsblad spreekt boekdelen. Die werd in 1869 door zijn schoonzoon, de bakker J. Emanuel, vanuit Monnickendam geplaatst en heeft iets onopzettelijk ontroerends. Want niet zijn leerlingen plaatsten de advertentie. Niet een galerie of kunstkring. Maar een bakker uit Monnickendam, namens de kinderen.
