Het is vervelend als een schilder zijn kunstwerk niet signeert. Want dan zadelt hij of zij het nageslacht op met een ware zoektocht naar de maker.
Neem nou dit fraaie stadsgezicht. Wie het heeft gemaakt, is vooralsnog onduidelijk. De signatuur is praktisch verdwenen. Te oordelen naar de technische kwaliteit, ouderdom, onderwerpkeuze en schilderstijl komen, bij mijn weten, zes 19e eeuwse schilders in aanmerking.
Hieronder passeren ze de revue.
De eerste kandidaat is Petrus Gerardus Vertin (1819-1893), die heel precieze stadsgezichten schilderde. En vaak kerktorens op exact dezelfde plek plaatste als de toren op dit schilderij. Ook de penseelstreken doen vermoeden dat het om een ‘Vertin’ gaat. Maar een kunstkenner die het schilderij laatst goed onder de loep nam, zei dat het weliswaar een schilderij van een 19e eeuwse meester was, maar misschien geen ‘Vertin‘. Die beeldde de mensen kleiner en meer gedrongen af. Op dit werk zijn ze langer van gestalte.
Een andere gegadigde is Johannes Franciscus Spohler (1853-1923), een telg uit een familie van top-schilders. Anders dan zijn vader en zijn broer die vooral ijstaferelen schilderden, legde Johannes Fransiscus Spohler zich toe op stadsgezichten. Spohler had, meer nog dan Vertin, oog voor straattaferelen, zoals we die op dit paneel zien: klessebessende oude mannetjes, een hond die een paard besnuffelt, terwijl een smid op de achtergrond zijn werk doet.
Er is nog een kandidaat, Willem Koekkoek (1839-1895), telg van een andere beroemde schilderfamilie, de familie Koekkoek. Op een van zijn schilderijen heeft hij een vrijwel identieke smederij (als op dit werk) afgebeeld. Dat wijst wel erg in zijn richting, zou je zeggen.
Maar toch, de wijze waarop de mensen en ook het paard is afgebeeld, doet ook weer sterk aan een andere vermaarde schilder denken. Het gaat om Jan Weissenbruch (1822-1888), een van de grote stadsschilders van de 19e eeuw. Hij was, evenals Vertin, leerling van de Haagse kunstschilder Bartholomeus Johannes van Hove.
En wat te denken van Cornelis Springer (1817-1891) die op zijn schilderijen met grote nauwkeurigheid gebouwen en straattaferelen afbeeldt. Zoals op dit schilderij, waarbij vooral opvalt dat de weergave van de mensen sterk overeenkomt met hoe Springer ze schildert. Of Adrianus Eversen (1818-1897), de meest begaafde leerling van Springer die, anders dan zijn leermeester, het niet zo nauw nam met de topografische precisie en vaak fantasierijke schilderijen maakte. Zijn stadsgezichten zijn composities van gebouwen en straten die in de werkelijkheid niet voorkomen.
Een heleboel kandidaten dus. Om de verwarring te vergroten: menig schilder, ook de zes hierboven genoemden, schakelde bij het maken van een kunstwerk meer dan eens een collega in. Die nam dan een onderdeel van het schilderij voor zijn of haar rekening. Neem nou Vertin, die ik hierboven als eerste gegadigde noem. Als hij schilderde haalde hij er, zo nu en dan, niet alleen zijn schildervriend Charles Rochussen, maar ook Hoppenbrouwers of Samuel Verveer bij. Die mochten het kunstwerk perfectioneren, omdat zij toevallig beter waren in het schilderen van mensen en dieren, dreigende wolkenluchten, bomen of besneeuwde daken.
Misschien maakt dat de zoektocht naar dè maker eigenlijk irrelevant. Het kan iedereen zijn. Letterlijk.
Naschrift:
Hieronder ter vergelijking twee schilderijen van hierboven genoemde ‘kandidaten’. Links een werk van Willem Koekkoek, rechts van Jan Weissenbruch.

