Het begon zoals zoveel kunstmiskopen beginnen: argeloos scrollend door een veilingsite, zonder groot plan, zonder hoge verwachtingen. Tussen het aanbod viel mijn oog op een winterlandschap: een bevroren rivier, schaatsers, een kerk in de verte. Aardig geschilderd, sfeervol, overtuigend genoeg om even te blijven hangen.
De eigenaar had een overenthousiaste tekst geschreven. “In de hoek is een monogram ‘J.B.’ zichtbaar,” las ik. “Mogelijk afkomstig van de befaamde schilder Johann Bernard Klombeck.” En alsof dat nog niet genoeg was: “Of anders van Johann Berthelsen, de beroemde winterlandschapschilder.” Het klonk in mijn oren verleidelijk plausibel.
Ik was destijds nog totaal onervaren. Het schilderij zag er fraai uit en dat telde. Voor een schappelijke prijs besloot ik het te kopen.
Pas toen het thuis aan de muur hing, daagde langzaam het besef dat ik erin getuind was. De compositie voelde vertrouwd — té vertrouwd. Na wat speuren bleek het een keurige navolging van een beroemd winterlandschap van Barend Cornelis Koekkoek uit 1845. Geen Klombeck, geen ontdekking, geen meesterwerk. Gewoon degelijk nageschilderd.
Terwijl mijn verzameling groeide, bleef dit werk als een soort winkeldochter op de achtergrond hangen. Niet prominent, niet waardeloos, gewoon aanwezig. Het hing niet in de weg, maar daar was dan ook alles mee gezegd.
Het voelde als een miskoop.
Jaren later, tijdens opnieuw zo’n avondje online veilingen bekijken, gebeurde er iets onverwachts. Ik stuitte op een ander schilderij met exact hetzelfde monogram. Hetzelfde handschrift, dezelfde vorm, dezelfde plaatsing. Maar dit keer ging het om een krachtig, zelfstandig werk: een landschap met vee, en van uitzonderlijke kwaliteit. De veilingbeschrijving vermeldde zonder aarzelen een naam: “J.B.” en daarachter stond volgens het veilinghuis “de Bij.”
Die naam zei mij niets. En dat was vreemd.Voor iemand die zulke meesterlijk geschilderde koeien kon maken, bestond “De Bij” opvallend weinig. Geen biografie, geen oeuvre, geen vermelding in naslagwerken. Dat wringt. Schildert een eendagsvlieg zulke overtuigende koeien? Die vraag bleef knagen.
Ik keek nog eens goed naar het aangeboden werk. Toen viel het kwartje. De veilingsite had de signatuur verkeerd begrepen. Er stond niet J.B. de Bij, maar: J.B. Tom.
Vanaf dat moment openbaarde zich een heel mensenleven, dat van Jan Bedijs Tom. Als kind van een alleenstaande moeder in Boskoop, begon Tom gelijk met een achterstand. Want in 1813 als ongewenst kind geboren worden, was geen pretje. Maar gaandeweg werkte hij zich op in de schaduw van voortreffelijke schilders—zoals de wintervorst Andreas Schelfhout. De Grote Meester nam eigenlijk geen leerlingen aan maar in 1850 mocht Tom, bij wijze van uitzondering, het vak bij hem komen leren. Was het zijn befaamde leermeester Schelfhout die hem rond 1850 als oefening het winterlandschap van zijn collega-schilder Koekkoek liet kopiëren? En verklaart dat het ingetogen monogram links beneden op het schilderij? Waarmee hij bescheiden aangaf: ik ben niet de maker, maar alleen maar een kopiist?
Hoe dan ook, het resultaat hangt hier aan de muur. Het oogt redelijk. Competent, zeker, maar niet briljant.
Klaarblijkelijk besefte Tom het zelf ook: winterlandschappen waren niet zijn roeping. Hij gooide het roer om en concentreerde zich vervolgens op wat hij echt kon: dieren schilderen. Koeien, paarden, schapen—in dat genre ontpopte hij zich als een meester. Zo succesvol zelfs, dat hij uiteindelijk tot hofschilder werd benoemd, met een koninklijke onderscheiding.
Het winterlandschap was waarschijnlijk niet zomaar een kopie. Het was een keerpunt waarop een jonge kunstenaar zijn eigen talent ontdekte. Vanaf dit moment wist hij wat hij níét moest doen om te worden wie hij wél kon zijn.
