Niet alleen de 19e-eeuwse schilders lieten zich inspireren door het werk van kunstenaars uit de Gouden Eeuw. Ook in de 20ste eeuw én in onze tijd worden er nog steeds ‘klassieke’ Hollandse winterlandschappen geschilderd. Neem de kunstschilder Piet Arends (1918–1986), die getrouwd was met Christine van Vlaardingen, een telg van een bekende kunstenaarsfamilie uit het Gooi.
Bijna iedereen in haar familie schilderde, vele generaties lang. Grondlegger van die traditie was Derk van Vlaardingen (1890–1958), een leerling van de bekende Groningse schilder Otto Eerelman. Derk was een landschapschilder die exposeerde in Duitsland en Zwitserland. Internationaal vermaard was Jan van Vlaardingen (1913–1980), een virtuoos in het plein-air schilderen, met een rijk en gevarieerd palet en vele groentinten. En wat te denken van Clement van Vlaardingen (1916–1972), eigenaar van de Hilversumse galerie De Kelder. Zijn werk had een impressionistische inslag, waarbij hij vooral met het paletmes werkte.
Clement was lid van Arti et Amicitiae en St. Lucas in Amsterdam. Dan is er nog Dick van Vlaardingen (1947) van de derde generatie schilders uit dit geslacht. Hij is gespecialiseerd in het Nederlandse landschap, vergezichten en de natuur. Momenteel is hij galeriehouder en conservator van het Familiemuseum Van Vlaardingen in Maartensdijk.
De Van Vlaardingens — Derks zoons Jan en Clement, en later kleinzoon Dick — waren schilders van hun eigen tijd. Zij trokken de natuur in, werkten buiten in het volle licht en legden het landschap vast zoals zij het zelf zagen: de Gooise bossen, de Vechtstreek, de Italiaanse kust. Hun werk had een impressionistische inslag en ze verwierven, zowel in Nederland als daarbuiten, een grote kring van bewonderaars. Piet Arends koos een heel andere weg. Hij keerde zijn eigen tijd de rug toe en leefde zich volledig in de 17e eeuw in. Waar zijn schoonvader en zwagers buiten stonden te schilderen in het zonlicht, zat hij binnenshuis in zijn atelier een wereld te reconstrueren die al drie eeuwen voorbij was. Voorbij het impressionisme klampte hij zich vast aan het vakmanschap uit het verre verleden. Daarin was hij in de familie van Vlaardingen een buitenbeentje — maar wel een dat zijn eigen koers consequent volhield.
Piet wierp zich dus volledig op de oer-Hollandse schildertradities.
Wie goed naar zijn winterlandschappen kijkt, ziet dat hij de oude meesters goed kende. De opbouw van zijn schilderijen doet denken aan Koekkoek: links een bakstenen toren met muurwerk, die het oog naar rechts leidt, via een bevroren rivier naar de verte, waar een kerkspits en een molen de horizon markeren. De lucht, die meer dan de helft van het doek beslaat en haar licht via een opening in de wolken verspreidt, doet meer denken aan Schelfhout, die de Hollandse lucht net zo belangrijk vond als het landschap eronder. De boomstammen op de voorgrond die het oog de diepte in trekken, de groepen figuren op het ijs, de manier waarop het oog van dichtbij naar ver glijdt — dat alles gaat terug op de winterwereld van Bruegel.
Opvallend is ook de kleding van de figuren: brede hoeden, kniebroeken, mantels en kapjes die niet de 20e maar de 17e eeuw oproepen. Arends schildert geen hedendaags landschap met een oud tintje — hij leeft zich in in Hollands rijke historie. Alles klopt binnen dat tijdkader: de tjalken, de molens, de kerkspitsen, de kleding.
Bijzonder is hoe hij op het hierboven getoonde schilderij (die waarop een stadsmuur en toren staan afgebeeld) een vrouw met een blauwe mantel, midden in het schilderij, weergeeft. Ze staat eenzaam met haar rug naar de kijker. Precies zoals de Haagse schilder Louis Apol (1850–1936) zijn figuren het liefst neerzette: als eenzame gestalten, bijna schimmen, die je van achteren door de sneeuw ziet lopen. Ook het koude, grijspaarse palet van lucht en ijs, en de ingevroren tjalk met rode wimpel op de achtergrond, zijn duidelijk van Apol afgekeken.
Apol verzette zich tegen de nette, brave schildertrant van zijn tijdgenoten, die terugging op de kunst van de Gouden Eeuw. Klaarblijkelijk is Piet Arends, misschien zonder het zelf te beseffen, zijdelings door deze Haagse schilder beïnvloed. Daardoor voegt hij aan zijn 17e-eeuwse winterlandschap onbewust een 19e-eeuws element toe. Helemaal zuiver in de leer is hij dus niet.
Maar thuis in de Gouden Eeuw was Piet Arends wel — letterlijk. Hij woonde en werkte in Amsterdam, omringd door eeuwenoude grachten en gevels. De Singel, waar hij zijn werkplek had, was geen museum maar een levende straat: een mengeling van woonhuizen, ateliers en kleine bedrijfjes, waar het verleden gewoon aanwezig was. Voor een schilder die de 17e eeuw niet nadeed maar er echt in leefde, was dat precies de juiste omgeving.


