In 1565 vond een heuse oerknal plaats, in de schilderkunst dan. Sinds Pieter Bruegel in dat jaar het eerste winterlandschap schilderde, zijn in de daaropvolgende eeuwen honderden en nog eens honderden beroeps- en amateurschilders in zijn voetsporen getreden. En zo ontstond een compleet nieuw genre, dat almaar uitdijde.
De Nederlandse winterlandschappen zijn uniek in de wereld. Ze vormen een merkwaardig contrast met ons zelfbeeld. We denken immers van onszelf dat ons land uit 18 miljoen eigenwijze individuen bestaat. En we koesteren de spreuk: ‘God schiep de aarde, behalve Nederland, want dat deden de Nederlanders zelf.’ Om vervolgens — typisch Hollands — te kissebissen over de vraag of die spreuk afkomstig is van Voltaire of van Descartes? Of dat we hem uiteindelijk toch zelf bedacht hebben?
De winterlandschappen tonen ons niet in die hoedanigheid; niet als super-individualisten, ego’s dus, die de natuur getrotseerd hebben. Integendeel, de afgebeelde schaatsers zijn niets meer dan voorbijglijdende schaduwen. En ook de mensen aan de waterkant zijn wezens zonder gezicht, die opgaan in de overweldigende natuur.
Ze zijn van alle tijden, klein, kwetsbaar en vergankelijk.
Het zijn dolende zielen.
De kunstenaar heeft het winterlandschap hierboven helemaal in die traditie geschilderd. Ook hij is anoniem. Het paneel draagt geen signatuur, geen monogram, geen opschrift. En terwijl ik hier, in de 21ste eeuw, de achterkant bekijk met loep en scherende belichting, op zoek naar een initiaal, een kras, een spoor — besef ik dat de ironie compleet is. De man die deze dolende zielen op het ijs schilderde, is er zelf ook een.
Dat zit mijn 21ste-eeuwse onderzoekende geest niet lekker. Die accepteert anonimiteit niet zonder strijd.
Want wat deze 19e-eeuwer maakte, verdient volgens mij een naam. Kijk naar de schaatser op de voorgrond: zijn gewicht rust perfect op het voorste been, de stok is geen attribuut maar een echte balansstok — en onder zijn voeten ligt een subtiele weerspiegeling in het ijs, zeer precies waargenomen. De figuur naast hem, met de gele mand, is met drie à vier toetsen prachtig neergezet. Economisch en zeker. De kleine figuren bij de schuur achter in het tafereel — oranje-rode mantels, witte mutsen — zijn op miniatuurschaal geschilderd met een zorgvuldigheid die niet routineus is. Ze hebben elk een eigen silhouet, elk een eigen beweging.
Dit is iemand die de natuur van het ijs kent. Die schaatsers schildert vanuit ervaring, niet vanuit prenten. De kwaliteit is bovendien egaal over het hele vlak: boom, architectuur, rietdak, schaatsers — alles van één hand, alles van hetzelfde niveau. Dat is het kenmerk van een schilder met volledige beheersing. Het geijkte label ‘navolger van Klombeck’ dekt de lading niet.
Natuurlijk, het schilderij ademt de geest van Johann Bernard Klombeck (1815–1893). Van de Duitse kunstenaar dus, die vaak ‘de beste leerling van Koekkoek’ wordt genoemd. Van de man die in de leer ging bij deze Nederlandse grootmeester toen deze zijn ‘Teekenacademie’ startte in het Duitse Kleve. De compositie, de architectuur, het rietdak, de kale winterbomen — het zijn allemaal elementen die thuishoren in Klombecks wereld. Maar de schaatsers op het ijs zijn van een andere, eigenzinnige hand.
Het paneel zelf vertelt zijn eigen verhaal. Het is massief eikenhout, handgeschaafd — de lange, parallelle schaafsporen zijn zichtbaar op de achterzijde, zonder machinale gladheid. De structuur van het hout is kenmerkend voor eik; de diepe oxidatie is organisch en authentiek, precies wat anderhalve eeuw doet met dit materiaal. De spijkers zijn geklopt en gesneden — rechthoekige doorsnede, onregelmatige kop — en dateren de bevestiging overtuigend vóór 1875. Het craquelé is gelijkmatig en stabiel over het hele oppervlak. Alles wijst naar dezelfde periode: ergens tussen 1845 en 1870.
Maar datering levert nog geen naam op.
Het RKD documenteert twee leerlingen van Klombeck bij naam. Twee. Voor een man die na de dood van Koekkoek in 1862 diens gehele academie overnam en de Kleefse schildertraditie tot aan zijn eigen dood in 1893 voortzette, is dat een opvallend korte lijst. Één van die twee namen trekt bijzondere aandacht.
Albert Carel Fredrich Engelberts werd in 1830 geboren in Gendringen, als jongste zoon van een kunstminnende familie. Na de dood van zijn vader trok zijn moeder met hem naar Kleve, waar hij in de directe omgeving van de grote meesters terechtkwam — eerst in de leer bij B.C. Koekkoek, en later, naar eigen zeggen van de kunsthistoricus Kramm ‘later meer bepaald’, bij Klombeck. In 1849 vertrok hij naar Brussel, om zijn vorming voort te zetten bij zijn neef Willem Roelofs. Vijf jaar later, teruggekeerd in Kleef, stierf hij. Hij was vierentwintig.
De 19e eeuwse kunstkenner Kramm schrijft in zijn standaardwerk ‘De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd ‘, dat Engelberts “reeds verscheidene schilderijen en teekeningen had vervaardigd, die veel beloofden en deden zien wat er van hem kon geworden zijn, indien de dood hem niet op jeugdigen leeftijd had weggenomen.” Mooier dan zo formuleer je een vroeg einde niet.
Van Engelberts werk is vrijwel niets bewaard gebleven — of in elk geval niets teruggevonden. Eén werk duikt op in een 19e-eeuwse catalogus: “Paysage hollandais avec patineurs, sépia, encre de Chine et touches d’aquarelle, monogr. A.E. 1850.” Een Hollands winterlandschap met schaatsers, gemonogrammeerd A.E., gemaakt in precies de jaren dat hij bij Klombeck in Kleve werkte.
Het monogram ontbreekt op het het hierboven weergegeven paneel. Dat sluit niets uit. Jonge schilders in opleiding signeerden lang niet alles — zeker niet wat zij als studie beschouwden, of wat bestemd was voor de eigen kring. En Engelberts stierf voordat zijn naam enig gewicht droeg; er was geen reden om te bewijzen wie hij was.
Of dit paneel van zijn hand is, valt op dit moment niet met zekerheid te zeggen. Maar de kwaliteit, de datering, de Kleefse context en de inhoudelijke parallel met het enige gedocumenteerde werk wijzen in de richting van Engelberts.
Had hij nou maar ‘A.E.’ onder dit werk geschreven, dan was ik in het hier en nu geen dolende onderzoeker geweest.
Naschrift:
Hieronder het werk van J.B. Klombeck, de naam van een schilder die voor kenners van het genre onmiddellijk herkenbaar is. Zijn hele leven lang was hij de trouwste bewaker van wat Barend Cornelis Koekkoek in Kleve had opgebouwd. Klombeck was niet alleen zijn beste leerling — maar na de dood van de meester in 1862 zijn erfgenaam, zijn opvolger, zijn schaduw zelfs.

