Het waren de hoogtijdagen van de winterlandschappen. In de 19e eeuw zijn schilders als B.C. Koekkoek, Andreas Schelfhout, Charles Leickert en Jan Jacob Spohler grootheden. Ze zijn niet alleen in ons eigen land zeer gewild, maar verkopen ook in het buitenland veel van hun kunstwerken.
Hun winterschilderijen, met daarop dichtgevroren rivieren, dreigende wolkenhemels, windmolens, koek en zopie-tenten en schaatsers, maken in die jaren furore.
De van oorsprong Limburgse schrijver Frans Erens maakte zich indertijd nogal impopulair onder zijn collega’s, toen hij opmerkte dat de Nederlandse literatuur weinig te betekenen had.
Ons land miste volgens hem een overweldigende natuur met rotsen, bergpartijen en snelstromende beken. Een oppermachtige natuur die de mens zijn wil oplegde, was volgens Erens een bron van inspiratie die wij, Nederlanders, helaas ontbeerden.
De romantische schilders van de 19e eeuw bewijzen het ongelijk van Erens, althans voor wat betreft de schilderkunst. Op hun schilderijen is de natuur wel degelijk heer en meester.
Ronduit overweldigend figureert het winterweer op de kunstwerken van Jacob Jan Coenraad Spohler (1837-1894) die, later in zijn leven, ook schilderde onder de naam ‘J. Corver’. Hij was telg van een echte schilderfamilie en leerde het vak van zijn vader Jan Jacob Spohler (1811-1866). Ook zijn jongere broer Johannes Franciscus Spohler (1853-1894) ging in de leer bij zijn vader, maar anders dan zijn Jacob Jan Coenraad (die zich net zoals zijn vader toelegde op winterlandschappen), specialiseerde Johannes Franciscus zich in het schilderen van stadsgezichten.
Anders dan in onze tijd, waarin we vooral ‘genialiteit’, ‘inspiratie’ en ‘originaliteit’ benadrukken, zag men in de 19e eeuw kunstschilders als mensen die vooral een ‘ambacht’ uitoefenden. Zoals ook bij andere ambachten het geval was, leerden veel schilders het vak van hun vader, oom, broer of opa. Dat gebeurde niet alleen bij de familie Spohler, maar ook bij andere roemruchte kunstenaarsfamilies, zoals de Koekkoeks, de Karsens en de Hulks, waar kinderen het schildersvak met de paplepel kregen ingegoten.
Terug naar het hier afgebeelde kunstwerk van Jacob Jan Coenraad Spohler. In zijn ijzige, dromerige landschappen lijken de schaatsers geen vast anker in de werkelijkheid te hebben. Ze zweven over het ijs, meer als schaduwen dan als mensen van vlees en bloed. Deze bijna doorschijnende gestalten zijn bewust gecreëerd. Hoe deed de ‘vakman’ Spohler dat? Hij gebruikte voor de menselijke figuren op zijn schilderijen vaak een lossere, lichtere penseelvoering. Dit gaf ze dat ‘doorschijnende’ of ‘vage’ uiterlijk, waardoor ze minder gedetailleerd waren dan het landschap zelf. Op die manier ging de aandacht als vanzelf uit naar de weidsheid van de omgeving en de algehele sfeer.
Zoals gezegd, de mens is op zijn schilderijen is slechts een vluchtige verschijning, tegen de majestueuze, onveranderlijke achtergrond van de winterse natuur. Meer nog dan bij de andere schilders van zijn generatie verworden de schaatsers en de wandelaars op de oevers bij hem tot schaduwen. Zijn nevelige schilderijen zijn een ode aan de eeuwige natuur, de mensen zijn van voorbijgaande aard. Ze zijn figuranten die zweven over het donkere ijs dat de hemel weerspiegelt.
