Hoe houd je je ziel intact?
Voor die vraag stond de jonge kunstenaar Hilaire Vanbiervliet in 1918, beschadigd tot in het diepst van zijn wezen, zoals iedereen die de loopgravenoorlog aan het IJzerfront had meegemaakt. Vier jaar lang bevochten Duitsers en Gealieerden elkaar op leven en dood, in een vastgeroest front langs het riviertje met de betekenisvolle naam IJzer.
De schilderkunst bood Hilaire een uitweg. Anders dan zijn kunstbroeders, die zich wierpen op de vele -ismen die na de Wereldoorlog in zwang waren, zocht en hervond Vanbiervliet zijn ziel en bezieling elders. Niet in een kunststroming, maar in de Vlaamse Ardennen, dat kleine stukje Vlaanderen waar het vlakke land overgaat in een zacht golvend heuvellandschap.
Het maakte gelijk indruk op me. Onlangs kon ik een klein kunstwerkje van zijn hand bemachtigen en het hangt nu bij ons aan de muur. Steeds als je ernaar kijkt, nodigt het je uit om in de ziel van het landschap te kruipen. Zo werkt het bij mij althans.
Maar laatst, na zo’n moment van ontroering en overgave, hernam mijn verstand het initiatief. En kwamen rationele vragen bovendrijven, zoals: Waar ligt het dorp eigenlijk dat de schilder heeft afgebeeld? Welk kerkje is dit precies? Waar exact stond Vanbiervliet met zijn schildersezel toen hij het schilderij maakte?
Na een lange zoektocht heb ik de antwoorden op deze vragen gevonden: het dorp dat de schilder op zijn doek afbeeldde heet Zulzeke en de kerk heeft de merkwaardige naam ‘Sint-Jan-in-de-Olie’. En ik weet dat de kunstenaar ter hoogte van de Driesstraat 28 stond toen hij aan zijn kunstwerk begon.
Naschrift:
Menig kunstkenner zal zeggen dat zulke antwoorden niet ter zake doen. Wie tegenover een schilderij staat, hoort zich niet te laten afleiden door zoiets ‘aards’ als topografische details, maar moet het werk voor zichzelf laten spreken. Daar zit een kern van waarheid in. En toch laat de gedachte me niet los dat het wèl uitmaakt — dat het hier zelfs alles uitmaakt.
Want kijk eens naar de generaties landschapsschilders die hem voorgingen. Veel 19e-eeuwse winterstukken — ook de mooiste, ook degene die ik zelf heb verzameld — zijn veelal composities. De schilder voegde een molen samen met een kerktorentje uit zijn schetsboek, plaatste er een groep schaatsers bij die hij in zijn atelier verzon, en zo ontstond menig Hollands winterlandschap, die voldeed aan het ideaal. Waar geen plek bestaat zoals het schilderij haar toont. Het zijn droombeelden, en bij de meesters van het genre zijn het schitterende droombeelden — maar droombeelden blijven het.
Vanbiervliet kiest voor iets anders, en niet zomaar. Wie de loopgraven heeft overleefd, wie heeft gezien hoe de werkelijkheid zelf in stukken werd geschoten, vlucht niet meer in fantasie. Hij zoekt juist het omgekeerde: een plek die werkelijk en gaaf is, een plek die al zo was vóór de oorlog en die er nog steeds intact is. En zo gebeurt het dat Hilaire Vanbiervliet op een goede dag zijn schildersezel ter hoogte van Driesstraat 28 installeert en kijkt. En nog eens kijkt. En probeert vast te leggen wat hij daar in alle eenvoud aantreft: een kerkje, een paar daken, de glooiing van het land onder de sneeuw.
Daarmee is het nog niet klaar. Een topografisch correcte weergave kan koud en zielloos blijven, lijken op een ansichtkaart. Wat een plek bezield maakt op het doek, is dat de schilder zich erin verliest, dat hij haar niet alleen waarneemt maar ook ondergaat. Vanbiervliet heeft Zulzeke niet alleen geschilderd; hij heeft er iets laten gebeuren met zichzelf. De troost zit in elk penseelstreekje. Daarom kun je er, ruim een eeuw later, in een huiskamer in Drenthe en elders op de wereld, nog steeds in kruipen. Erin verliezen. Met je verstand op nul.
