IJs schilderen is lastig, heel lastig. Dat komt door zijn natuurlijke eigenschappen. Het moet koud uitzien, hard, transparant en spiegelglad. En de hele bovenwereld — de mensen die erop schaatsen, de huisjes en bomen langs de kant en bovenal de hemel — moeten er geloofwaardig in weerspiegeld worden.
Dit kleine schilderijtje geeft de essentie van ijs perfect weer. Pas toen ik het van dichtbij bekeek, zag ik schuin onder de lijst de naam van de maker: ‘Haus facit 1830’.
Na wat speurwerk bleek het om Hendrik Manfried Haus (1803–1843) te gaan, een jonggestorven schilder uit de vroege 19e eeuw. Hij werd op 5 juni 1803 gedoopt in Bergen op Zoom, evenals zijn tweelingzus Maria. Zijn ouders waren Frans Joseph Haus en Barbara Fehr — een Duits-Brabantse familieachtergrond die verklaart waarom zijn werk op de internationale veilingmarkt tot op de dag van vandaag als ‘Deutsche Schule’ wordt geclassificeerd.
Maar er is niks Duits aan zijn werken.
Zijn schildersopleiding ontving hij in Den Haag, waar hij in de bevolkingsregisters voorkomt in 1823 en opnieuw in 1830 — het jaar van dit schilderij. Rond 1835 verhuisde Hendrik Manfried Haus naar Utrecht. Daar vestigde hij zich aan het Geertruidakerkhof. Tijdgenoten waren er duidelijk over: dit was, anders dan de chique grachten van de stad, een “vrij poovere omgeving” — zo omschreven althans gidsen uit die periode het plein. Een plek van teloorgang in de directe omgeving van de vervallen 13e eeuwse Geertekerk, inmiddels in gebruik als opslagruimte voor militaire goederen.
Haus overleed er op 13 mei 1843, nauwelijks veertig jaar oud. In 1840 schreef hij een brief aan een potentiële koper, bewaard in het archief van het Rijksmuseum. Hij bood een schilderij aan voor de geringe prijs van zestien gulden — “aangezien mijn lot op dit moment door onze ziekte regt ongelukkig is”. Hij en zijn vrouw waren beiden al geruime tijd ziek, schreef hij. En hij kon het huis niet uit.
Die brief ademt de beklemming van zijn laatste jaren.
Voor zijn vertrek naar Utrecht was Haus een stadgenoot van de beroemde winterschilder Andreas Schelfhout (1787–1870), die zijn hele leven in Den Haag woonde en werkte. In de jaren dat Haus in de Hofstad zijn opleiding volgde — de jaren twintig en het begin van de jaren dertig — was Schelfhout op het hoogtepunt van zijn roem. In het kleine kunstenaarswereldje van Den Haag was persoonlijk contact tussen hen beiden meer dan waarschijnlijk. Ze kenden elkaar bijna zeker.
Schelfhout was de favoriete schilder van het koninklijf Hof en gold destijds als een grootheid. Want niemand, maar dan ook niemand, kon ijs beter weergeven dan hij.
Schelfhout had voor het schilderen van ijs een geheel eigen techniek ontwikkeld. Hij mengde verf met gemalen edelstenen en schiep daarmee een transparant effect, waardoor zijn ijs zowel weerspiegelend als doorzichtig uitzag. Daarna maakte hij met de achterkant van zijn penseel krassen op het ijs.
Schelfhout had voor het schilderen van ijs een geheel eigen techniek ontwikkeld. Hij mengde verf met gemalen edelstenen en schiep daarmee een transparant effect, waardoor zijn ijs zowel weerspiegelend als doorzichtig uitzag. Daarna maakte hij met de achterkant van zijn penseel krassen op het ijs.
Vermoedelijk heeft Hendrik Manfried Haus de receptuur van de ijsmeester doorgrond. Maar hij paste haar op een eigen, verrassend radicale manier toe.
Schelfhout werkt additief: hij voegt dus materiaal toe om het effect te bereiken. Groot, glad, volledig uitgewerkt. Haus werkt subtractief: hij laat de warme bruingrijze grondlaag van het paneel het werk doen. Het ijs is niet geschilderd over een witte onderlaag — het is de drager zelf die door dunne, transparante verflagen heen schemert. De houtnerf van het paneel geeft het ijsoppervlak zijn subtiele horizontale richting. Het ijs heeft diepte omdat je erdoorheen kijkt naar het hout waarop het geschilderd is.
Schelfhouts aanpak is die van een vakman die een effect construeert. Haus’ aanpak is die van een schilder die het materiaal zelf laat spreken.
Bijzonder ook is zijn behandeling van de ijsblokken — de donkerwitte vlekken verspreid over het vlak. Met maar twee penseelstreken per blok, en toch ‘klopt’ elk ervan: de schaduwzijde donker, het bovenvlak licht opvangend in het schaarse winterlicht. Hun onderlinge afstand en afnemende grootte creëren de diepte van het ijsoppervlak zonder dat Haus ook maar één perspectieflijn hoeft te tekenen.
Nog subtieler zijn de reflecties in het ijs. De gele rieten windschutting van de koek-en-zopie — want dat is de constructie rechts, geen schuur maar een typisch windscherm — reflecteert niet helder, zoals in open water, maar gedempt groengrijs. Ijs filtert. IJs vervormt. Haus wist dat, en schilderde het.
Ervoor drie figuren: een vrouw in traditioneel kostuum met een opvallende oranjerode rok, een kind, en de verkoper achter zijn toonbank. Links op de oever schaatsers en een boot die vastgevroren zit in het ijs — zijn romp gaat naadloos over in het ijsvlak, zonder waterrand. En in de verte een windmolen.
De behandeling van die figuren is het meest opmerkelijke aspect van het werk. Ze bestaan in werkelijkheid uit vijf à zes penseelstreken per persoon. De vrouw in de gekleurde rok: één brede streek oranjerood, één donkere voor de mantel, een licht vlekje voor het witte mutsje. En toch staan ze er volledig — zonder dat één detail is uitgewerkt.
Het Franse impressionisme zou pas vele jaren later komen. Maar de kern ervan — het suggereren van aanwezigheid via kleur en toets in plaats van het uitwerken van vorm — doet Haus hier al in 1830. Op dit kleine formaat is elke streek een prestatie: binnen een centimeter hoogte legt hij kleur, toon, houding en sociale context neer.
Precies dertig jaar nadat Haus dit schilderij maakte, begon in Parijs de kunststroming die hij hier al aankondigde.
Naschrift:
Dit schilderij is naar alle waarschijnlijkheid het vroegst bekende gedateerde werk van Hendrik Manfried Haus. Hij was 27 jaar oud toen hij het maakte, woonde nog in Den Haag, op loopafstand van Schelfhout. Dat hij dit werk maakte op 27-jarige leeftijd, en dat het resultaat een ijsoppervlak is dat technisch en visueel standhoudt naast het beste werk van zijn generatie — maakt dit kleine paneel tot meer dan een curiositeit. Het is een unicum.
Haus had in 1830 alle gelegenheid om ijstaferelen te schilderen. Sinds de winter van 1684 was het in ons land niet meer zo koud geweest als juist in dat jaar. Alleen de winter van 1963 kan zich met die van 1830 meten. Een Tilburger hield in het vroege voorjaar van 1830 een dagboek bij. We lezen:
“28 februari
De winter van1829 op 1830 is zeer koud geweest. De vorst is begonnen 18 november 1829 en het heeft snel en onophoudelijk gevroren tot 8 februari 1830, uitgenomen 2 dagen waarop het gedooid heeft. Alle fabrieken hebben 3 weken om den sterken vorst stil moeten staan. Van den 25 december 1829 tot en met den 6 februari 1830 was het zeer koud. 1, 2, 3, 4, 5 en 7 februari allerfelste koude vorst en sterke wind. Om den langdurigen winter is er voor de arme menschen soep gekookt. Op 23 en 24 februari heeft het veel geregend, nochtans van 18 november tot 28 februari is er geen dag zonder vorst geweest.”
Ook de Limburgse pastoor Borret, werkzaam in Roermond, vermeldt de barre weersomstandigheden in zijn dagboek: “1830: Zeer koud voorjaar. Weer de hele zomer regen, op veel plaatsen geen oogst. Veel zieken, grootste armoede. Gebrek aan alles. Onlusten onder bevolking (begin Belgische opstand).”
Boeiend is dat Borret het slechte weer koppelt aan het ontstaan van wat we nu ‘De Belgische Opstand’ noemen.
De relatie tussen weersomstandigheden en maatschappelijke (aard)verschuivingen is een blinde vlek van nogal wat historici. Velen zijn vooral gefocust zijn op politieke ontwikkelingen. Onterecht, want juist de strenge winter van 1830 was één van de oorzaken van de grote onrust in het zuidelijke deel van het toenmalige ‘Koninkrijk der Verenigde Nederlanden’. De graanvoorraden waren bevroren en de Schelde was dichtgevroren, waardoor aanvoer van voedsel onmogelijk was. Die situatie verergerde omdat het voortdurend regende, zowel in het voorjaar als in de zomer van 1830. De oogst mislukte daarom volledig, het gewone volk leed honger. En in augustus van dat jaar brak in Brussel de Opstand uit die uiteindelijk leidde tot een opsplitsing in wat we nu ‘België’ en ‘Nederland’ noemen.

