
Er broeit iets in je en je voelt een diep verlangen om te scheppen. Je koopt schildergerei, het beste van het beste, om dat te uiten. Maar op de een of andere manier komt het allemaal niet zo goed uit de verf, hoezeer je je ook bekwaamt in de schilderkunst. Ligt het aan jezelf? Is het een onvermogen? Of past, dat wat je gemaakt hebt, niet bij de tijd waarin je leeft? Zijn je schilderijen te modern, te ouderwets, of allebei?
Aan geld geen gebrek, je ouders zijn rijk, dus ga je vaak op reis om vooral veel indrukken op te doen. Je woont afwisselend in Nederland en Duitsland. En je hoopt dat je in dat tweede land, Duitsland dus, wél begrepen wordt. Of beter althans, dan in je vaderland. Maar ook deze aanpak werkt niet. Je wordt nu zelfs een vreemdeling in twee werelden. In Nederland vinden ze je werk te Duits en in Duitsland te Nederlands.
Onverkoopbaar dus.
Maar je bent een echte doorzetter, gaat niet bij de pakken neerzitten. En je wilt blijven leren, niet alleen van ‘meesters in hun vak’, maar ook van leraren die op talrijke instituten, academies en scholen lesgeven. Bovendien word je lid van kunstgenootschappen waar je veel kunstenaars ontmoet. Je raakt bevriend met hen, of zoeken ze je op omdat je de beschikking hebt over de beste gereedschappen? Zoals een kostbare etspers. Vrienden als Charles Leickert, David Bles, Jan Weissenbruch en Jan Kruseman komen bij je etsen. En jij leert van hen, en zij van jou.
Hoe dan ook, je loopt je de sloffen uit het lijf voor je schildersvrienden, beveelt ze aan bij kunstgaleries. En draagt ze voor als het gaat om ridderordes en andere onderscheidingen. Intussen worden jouw schilderijen afgewezen op exposities, ook als je vrienden in de jury zitten. Of ze worden in de expositieruimte zo hoog gehangen dat niemand ze goed kan zien. Je vriend Hanedoes maakt zich ondertussen openlijk zorgen: “Hij is een miskend genie in zijn eigen oog en trekt zich die zaak zoo aan, dat ik mij wel eens ongerust maak; die jongen zal nog eindigen met gek te worden.”
Je schrijft brieven, heel veel brieven. Die steeds somberder van toon worden. Tot die laatste, allerdroevigste brief aan je ouders. Waarin je hen om vergiffenis vraagt voor je beslissing en hen opdraagt je aardse zaken te regelen. Die brief stop je in de jaszak van je zondagse rokkostuum, dat je speciaal voor de gelegenheid hebt aangedaan. De avond daarvoor was je nog gezien in de kunstenaarssociëteit Malkasten, het kloppende hart van het Düsseldorfse kunstleven. Niemand vermoedde iets. Je jas met de brief laat je achter op de kade van de Rijnoever in Düsseldorf. Waar je uit het leven stapt.
Het was niet de schuld van de muzes. Joseph Hartogensis (1822–1865) zat namelijk boordevol inspiratie en zijn werktekeningen en schetsen getuigden van groot talent. Dat vonden zelfs zijn grootste critici. Maar de uitwerkingen van die schetsen, de schilderijen dus, konden op aanzienlijk minder bijval rekenen. Wat schreef die kunstrecensent ook alweer in 1865? “Het is niet te ontkennen dat zijne voltooide schilderijen niet altijd geslaagd zijn. Zijn schetsen en tekeningen zijn daarentegen uitstekend, maar hij slaagt er niet echt goed in er mooie schilderijen van te maken. Afmaken betekent dikwijls ‘doden’: menigeen bederft een uitmuntend opgezet stuk of een goede schets. Dat gebeurt meer. Maar zelden zagen wij het verschijnsel in zulk een mate als bij deze kunstschilder. Het heeft hem dus niet aan talent ontbroken, maar wie zijn talent waarderen wil, moet het zoeken in zijne tekenportefeuilles en niet tussen de gouden schilderijlijsten.”
Hij heette Joseph Hartogensis, een achternaam die ettelijke ‘verbouwingen’ had meegemaakt. De familie stamde af van Hirsch Ben Simon, die vernederlandste tot Hartog en later latiniseerde tot Hartogensis — een gebruikelijke gang van zaken in de joodse gemeenschap van die tijd, op zoek naar een respectabele familienaam. Joseph werd in 1822 geboren in Den Bosch, als lid van een vooraanstaande joodse familie. Zijn vader Bernard was een bekend rechtsgeleerde, en samen richtten zij de joodse synagoge in hun geboortestad op. Het artistieke talent van de jonge Joseph werd vroeg herkend, en op vijftienjarige leeftijd trok hij naar Den Haag om er te studeren bij de joodse meesterschilder Samuel Verveer.
Dat was het begin van een leven lang leren en reizen. In 1842 vertrok hij naar Kleef om leerling te worden van Barend Cornelis Koekkoek, de meest bewonderde Nederlandse landschapsschilder van zijn generatie. De jaren daarna reisde hij door België en Duitsland, met overvolle notitieblokken en schetsmappen. In 1849 vestigde hij zich in Düsseldorf en bezocht er de beroemde Malerschule. Werken van Schelfhout, Waldorp en Nuyen waren in het buitenland zeer in trek, en hij hoopte in hun kielzog een afzetmarkt te vinden. Maar Hartogensis werkte niet zuiver in de traditie van de Hollandse schilderschool, en dat was nu juist zijn probleem. Aan beide zijden van de grens voelde men dat.
De ironie van zijn leven was soms bijna ondraaglijk concreet. Hij verkocht incidenteel wél een werk — onder meer aan grootvorstin Maria Nikolajevna van Rusland, dochter van de tsaar en voorzitter van de Keizerlijke Kunstacademie — maar kon zich in zijn eigen kunstenaarskring niet handhaven. De etspers was zijn sociale kapitaal: omdat hij als enige over zo’n kostbaar apparaat beschikte, kwamen vrienden als Leickert, Bles en Weissenbruch bij hem langs. Hij hielp hen met alle egards, droeg hen voor bij jury’s en onderscheidingen. Zelf werd hij afgewezen.
Twintig jaar voor Joseph stierf ook zijn jongere broer Mozes op precies dezelfde manier: hij sprong in de IJssel bij Deventer. Zijn vroege dood wierp mogelijk een lange, stille schaduw. Wat die wetenschap met Joseph heeft gedaan — of het als een spook achter hem aanliep al die jaren — weten we niet. Hij schreef er niet over, in al die brieven.
Na zijn onfortuinlijke dood blijft zijn naam zo nu en dan nog opduiken in de vaderlandse pers. Opvallend vaak wordt hij dan wat mistroostig een ‘vergeten kunstenaar’ genoemd. In 1934 spreekt het Noord-Hollands Dagblad van de “in de vergetelheid geraakte kunstenaar Joseph Hartogensis”. En in De Telegraaf van 1941 wordt hij genoemd in een rijtje met “zeer bijzondere en zuivere talenten, te weinig duurzaam opgemerkt.” Het Algemeen Dagblad weet in 1975 te vertellen dat hij “een thans volledig vergeten kunstenaar” is.
Maar vergetelheid is relatief. Roemrijke musea in ons land koesteren inmiddels zijn werk. Het Rijksmuseum in Amsterdam, het Gemeentemuseum in Den Haag en Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam hebben nogal wat etsen van zijn hand aangekocht. En het Rijksprentenkabinet meldt trots dat men een tekening van hem heeft kunnen bemachtigen. Ze zijn er blij mee, want “de tekening heeft een schetsmatig karakter en is ongedwongen uitgevoerd.”
De waardering is er dus wel, maar komt rijkelijk laat.