Radi Nedelchev was vijftien toen hij ruzie kreeg met zijn vader.
De man was houthakker en ergerde zich groen en geel aan zijn zoon, die – als het maar even kon – zat te tekenen. Onophoudelijk, bijna manisch. Op die manier had Radi inmiddels zowat alle huizen, schoorstenen, schuren, huifkarren, paarden, koeien en mensen van het hele dorp vastgelegd. Het papier was altijd op. De potloden ook. Zijn vader wilde dat het stopte, voorgoed.
Maar Radi’s creatieve drang was te groot. Hij ontvluchtte het plattelandsdorp en vertrok naar de grote stad. Daar probeerde hij met kunst en vliegwerk te overleven. Letterlijk: hij tekende, schilderde nu ook af en toe, ruilde werk voor eten. En af en toe verkocht hij werk op straat of aan cafés. Het ging maar net. Hij leidde een armoedig bestaan.
Na zijn diensttijd werd hij toegelaten tot de kunstacademie. Radi bleek geen onbeholpen dorpsjongen, maar een talentvolle tekenaar. Hij leerde nu perspectief, anatomie, compositie. Later zou hij daar nuchter over zeggen: “Ik heb geleerd hoe het moet, zodat ik het kan loslaten”. Samen met zijn goede studievriend Marko Monev deelde hij een atelier. In 1963 besloten ze samen een reis te maken door de landelijke en afgelegen gebieden van Bulgarije.
Daar zagen ze met eigen ogen hoe het traditionele boerenleven veranderde. De communistische collectivisatiepolitiek van de jaren zestig trok diepe sporen door het landschap. Zelfstandige boerderijen verdwenen, rituelen raakten uitgehold, dorpen werden als ‘productiesystemen’ gezien. Radi en Marko beseften dat een wereld die eeuwenlang had bestaan, op het punt stond te verdwijnen. Ze wilden haar vastleggen – niet als folklore, maar als cultureel geheugen.
Radi stond voor een keuze. Hij had academisch kunnen schilderen, in de stijl van zijn tijd. Maar hij deed het niet. Integendeel. Hij koos bewust voor eenvoud, voor een beeldtaal die men later naïef zou noemen, maar hij wilde ‘ongekunsteld’ schilderen op een manier die ook de boerenbevolking zelf zou aanspreken. Zonder opsmuk, zonder focus op correcte perspectieven of dramatische effecten. Geen moderniteit, geen tractoren, geen elektriciteitspalen. “Dan is het geen dorp meer,” zou hij hebben gezegd, “maar een systeem.”
Hij schilderde dorpen zoals ze waren vóór de ingreep van de staat: autonoom, ritmisch, doorleefd. Arbeid en ritueel vloeiden in elkaar over. Dieren liepen tussen mensen, niet ernaast. De kerk was geen dogmatisch symbool, maar een moreel middelpunt. Winter was geen kou, maar het seizoen waarin het dorpsleven op een bijzondere manier zichtbaar werd en mensen samenkwamen. Typisch Bulgaarse Kerst- en nieuwjaarsrituelen – koledari, surovakane, Badni Vecher – zijn aanwezig, niet als illustratie maar als sfeer. Je ziet op zijn schilderijen mensen van huis naar huis gaan, kleine groepen in beweging, stokken in de hand, rook uit schoorstenen. Hij toont gemeenschapsgevoel in zijn ware gedaante.
Opvallend is dat Radi steeds minder naar de werkelijkheid schilderde. Toen een dorp dat hij vaak afbeeldde te modern werd, met straatverlichting, uniforme daken en betonnen gebouwen, zei hij dat hij het niet meer kon schilderen. Vanaf dat moment werkte hij vanuit zijn geheugen. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Want zijn schilderijen tonen geen verleden tijd, maar een tijdloos heden.
Over tijdloosheid gesproken, Radi werd door hetzelfde bewogen, als vóór hem de 19e eeuwse Hollandse schilders Andreas Schelfhout en Barend Cornelis Koekkoek. Ook zij grepen ooit bewust terug op een oeroude beeldtaal: die van de haast archetypische Hollandse winterlandschappen met schaatsers, molens tegen een lage hemel, knotwilgen en verstilde dorpen. Ook zij waren academisch geschoold en ook zij schilderden, net als Radi Nedelchev, géén directe werkelijkheid, maar een ideaaltypisch beeld van een landschap en een levenswijze die door industrialisatie en modernisering onder druk stonden. Hun werk fungeerde als beeldend geheugen op het moment dat dat geheugen begon te vervagen.
In die zin is Radi Nedelchev voor Bulgarije wat Schelfhout en Koekkoek voor Nederland waren: geen chroniqueur van de vooruitgang, maar een kunstenaar die een verdwijnende wereld bewust stilzette, niet uit nostalgie, maar om haar betekenis vast te houden.
Rond 1970 gebeurde iets wat Radi zelf niet had voorzien.
Juist in het Westen sloeg zijn werk aan. Zijn schilderijen ademen een optimisme dat daar diep werd herkend. Zijn speelse schilderijen boden, in het individualistische, materialistische en technocratische Westen, een tegenwicht en riepen herinneringen op aan beelden van gemeenschapszin, ritme en verbondenheid. Niet alleen Nedelchev, maar ook de naïeve kunst uit Kroatië en andere delen van Oost-Europa vond in die periode een ontvankelijk publiek.
Wat men herkende, was geen exotische folklore, maar een tijdloze boodschap: een samenleving waarin arbeid, ritueel en samenleven nog één geheel vormden, waarin de mens niet primair producent of consument was, maar deel van een gemeenschap.
Tentoonstellingen volgden elkaar snel op in Genève, Parijs, Montréal, Washington, Athene, München en Tokio. In Parijs, in het Musée d’Art Naïf (Halle Saint-Pierre), keek men zwijgend en eerbiedig toen daar zijn werk werd geëxposeerd. Radi vond dat vreemd. Zijn schilderijen waren bedoeld om verhalen los te maken, niet om stil voor te staan. Het ging hem om de toeschouwer, dié wilde hij bezielen. Daarom signeerde hij klein, hij was niet de maker maar de boodschapper.
Ondanks aandringen om zich in het Westen te vestigen, bleef hij Bulgarije trouw. Dat werd daar zeer gewaardeerd. Hij ontving de hoogste Bulgaarse onderscheiding: de Orde van Cyril en Methodius, 1ste Klasse.
De houding van de communistische machthebbers tegenover zijn werk was altijd dubbelzinnig. In de jaren zestig en zeventig paste Nedelchev niet in het keurslijf van het socialistisch realisme. Hij schilderde geen tractoren, geen collectieve boerderijen, geen heroïsche arbeiders of partij-symbolen. Zijn dorpen toonden een wereld van vóór het systeem, niet ertegen, en juist daardoor werd zijn werk als ideologisch onbruikbaar maar ook als ongevaarlijk beschouwd. Hij werd getolereerd, niet gevierd.
De bewuste eenvoud van zijn beeldtaal werkte als camouflage. Wat voor de staat folklore leek, was in werkelijkheid het vastleggen van verlies. Pas toen zijn internationale succes onmiskenbaar werd en tentoonstellingen in het Westen volgden, veranderde de toon. Wat eerst werd genegeerd door de machthebbers, werd ineens voorzichtig geclaimd. De staat eigende zich zijn reputatie toe als bewijs van culturele rijkdom, succes en openheid, terwijl de kern van zijn werk – een wereld van vóór de collectivisatie, van vóór de systemen – bleef schuren.
Radi Nedelchev overleefde het communisme en stierf in april 2022, 84 jaar oud. Tot mijn schaamte is hij pas recent voor mij gaan leven. Pas sinds gisteren kan ik dit verhaal vertellen.
Waarom? Op onze zolder liggen schilderijen die ik eigenlijk liever kwijt dan rijk ben. Miskopen, dacht ik. Uit baldadigheid probeerde ik Google Lens. Ik sleepte een afbeelding van één van die schilderijen – een winterdorp met een onleesbare signatuur – het zoekveld in.
Google deed een bijzondere ontdekking: ik bezit een echte Radi Nedelchev (1938–2022).
Ik begon te kijken, te lezen, te begrijpen. Ik zag een foto van hem: een bebaarde man met een open en optimistische uitstraling, bijna de Kerstman in eigen persoon. En toen drong het ongemak zich op. Hoe zou deze goedaardige man het hebben gevonden dat zijn werk wordt verzameld door instellingen en machthebbers wier namen juist staan voor geweld en onderdrukking?
Zoals de Krupp Foundation, gesticht vanuit het imperium van Alfried Krupp, een van de belangrijkste industriële financiers van Adolf Hitlers oorlogsmachine, later veroordeeld wegens oorlogsmisdaden. Of neem nou die andere verwoede verzamelaar, de Chinese premier Li Peng, die de politieke verantwoordelijkheid had voor het bloedbad onder studenten op het Tiananmenplein in 1989. Dat juist híj schilderijen van Nedelchev bezat, schuurt.
In dat licht misstaat Nedelchevs kunst bij hen misschien nog wel meer dan bij mij op zolder. Zijn schilderijen tonen immers een wereld van ritme, ritueel en menselijkheid. Een wereld zonder pijn.
Naschrift:
Verhalen kunnen geen recht doen aan een schilderij, en zeker niet aan dit schilderij. Gedichten komen dichter in de buurt. Zoals dit gedicht, vertaald uit het Bulgaars, geschreven door Valentina Karadjova, gewijd aan haar held Radi Nedelchev:
Er zijn kunstenaars die de werkelijkheid nabootsen,
Ze imiteren de natuur.
Er zijn ook kunstenaars die een eigen wereld creëren,
Ze imiteren God.
Dat doet Radi Nedelchev.
Niemand kan zijn wereld met een andere verwarren.
Ik hou van zijn wereld,
Met licht dat van binnenuit stroomt,
Bewoond door goede mensen en goedmoedige dieren,
Natuurlijk met bomen en sneeuw.
Ik weet niet of deze heldere wereld
Een laatste weerspiegeling is van een verre en
Onherstelbare herinnering,
Of van een nog ver verwijderde en misschien
Onbereikbare droom.
Ik weet het niet, maar zijn wereld is anders dan
De onze van het hier en nu:
Een wereld vervuld van haat, boosaardigheid, van
Gewetenloze ambities en intriges
Van meedogenloze strijd om geld en macht.
Ik wil ontsnappen
Aan deze aardse hel.
Artiest, laat me in jouw wereld leven.
Ik ben al verward over wie de vijand is en wie de broer.
Kunstenaar,
Laat me in jouw wereld leven
Om mezelf niet te verliezen in
Deze maskerade.
Kunstenaar,
Laat me leven in jouw wereld.




