Het is geen romantisch tafereel, want de ‘ijspret’ is op deze aquarel helemaal naar de achtergrond verschoven. Daar zien we, in de verte, een enkele schaatser. Kennelijk wilde de schilder vooral de werkelijke situatie weergeven. Op de voorgrond maakt iemand (aan de vaten te zien een bierbrouwer?) ‘praktisch’ gebruik van het winterse weer. Hij schuift een zware vracht op een slede voor zich uit. Over de brug loopt een man die grote gelijkenis vertoont met een vogelverschrikker. Hij torst een grote takkenbos op zijn rug en lijkt de winter maar zozo te vinden. Hij is met zijn sprokkelhout op weg naar het wat armoedige huis links. Er komt nog rook uit de schoorsteen, maar dat zal snel veranderen.
“G.A. van Oosterhoudt facit”, staat linksonder het kunstwerkje. Gerrit Adrianus van Oosterhoudt (zoals hij voluit heette) werd in 1792 in Tiel geboren.
Zijn vader was zilversmid en molenaar, zijn oom en neef waren gerenommeerde kunstschilders — en ook thuis werd getekend: van zijn vader is bekend dat hij acht kinderen had, van wie er enkele verdienstelijk tekenden en grafisch werk maakten.
Het Rijksmuseum bewaart een viertal pentekeningen van zijn hand. Maar van Gerrit Adrianus weten we eigenlijk bar weinig. Wel dat hij diende in het Nederlandse leger. Als kapitein bij de ‘mineurs en sappeurs’ is Van Oosterhoudt betrokken geweest bij het maken van de eerste topografische kaarten van Nederland. Hij werkte als officier voor het ‘Archief van Oorlog en Topographisch Bureau’ en was ook verbonden aan de lithografische afdeling van dat bureau, waar hij landschappen en portretten vervaardigde naast zijn cartografische werk.
Zijn loopbaan begon in het zuiden: al in 1818 was hij als luitenant gestationeerd in Luik. Dat zuidelijke landschap — de Maasvallei, de mergelheuvels, de smalle beken over stenen boogbruggetjes — kende hij dus van meet af aan. En hij deed meer dan er wonen: hij bracht het in kaart.
Hoe dat werk eruit zag, weten we vrij nauwkeurig. Te paard begaf de officier-verkenner zich naar zijn voorgeschreven standplaats, vergezeld van een marechaussee die eveneens te paard hielp bij de metingen. Hij had een ‘veldminuut’ op een plankje gespannen bij zich — een gedeeltelijk ingevuld kaartfragment — waarop hij de ontbrekende topografische details ter plekke in potlood intekende. Tijdens het veldwerk mochten de officieren burgerkleding dragen, “zonder uit het oog te verliezen dat zij aan hunnen rang als officier van den Generalen Staf verpligt zijn, eenige zorg omtrent dezelve in acht te nemen, teneinde zich van de gewoone landmeters te onderscheiden.”
Het veldwerk werd in het zomerseizoen uitgevoerd. De winterse tekening die Van Oosterhoudt van de Limburgse boogbrug maakte, is dus geen dienstopdracht maar een persoonlijk werk — gemaakt in de maanden dat hij niet mat en verkenning deed, maar gewoon in zijn omgeving rondliep en zag wat hij zag.
Vanuit zijn functie was hij, anders dan een ‘echte’ landschapsschilder, niet geïnteresseerd in de romantiek van de natuur. Gerrit Adrianus had belangstelling voor het vastleggen van topografische details, dus: hoogteverschillen, afstanden, perspectief, plaatsnamen. Hij tekende met name kaarten, die bovenal precies moesten zijn.
Dat verklaart ook de bijzondere kwaliteit van het hier afgebeelde winterlandschap. De gewelfde boogbrug is niet pittoresk gestileerd maar architectonisch correct getekend — de mergelblokken steen voor steen, de boogverhouding precies, de beek realistisch van schaal. Mergelsteen: dat zachte, geelgrijze kalksteen dat zo karakteristiek is voor de Limburgse heuvelstreek en nergens anders in de Nederlanden voorkomt. De brug plaatst het werk onomstotelijk in het Limburgse landschap rond Maastricht of de Voer-vallei.
Het is dus allesbehalve een Hollands wintervermaak. Eén figuur schaatst weliswaar in de verte, maar de voorgrond toont een man die een ton over het ijs trekt — winterse arbeid, niet recreatie. De bevroren beek bood hem de uitgelezen kans om zijn zware last snel te verplaatsen.
Dit werk moet trouwens gemaakt zijn vóór de Belgische afscheiding van 1830; daarna zat het ‘Hollandse’ garnizoen van Maastricht ingesloten. De rest van Limburg had zich namelijk solidair verklaard met de Belgische separatisten – en was vrij rondtrekken door het heuvelland voorbij.
Hij was gelegerd in het belegerde Maastricht, toen hij daar op 2 mei 1834 stierf, 41 jaar oud. In diezelfde weken stierf in hetzelfde garnizoen ook de 25-jarige luitenant F.J. Wiessner, “na een lijden van slechts weinige uren” — een veelzeggende zinsnede in een tijd van cholera. Of Van Oosterhoudt aan diezelfde ziekte bezweek is niet zeker, maar de context is somber: een geïsoleerd garnizoen in een ronduit vijandig gebied in het voorjaar van het door ziektes geplaagde jaar 1834.
Van Gerrit Adrianus zijn een paar landschapstekeningen bewaard gebleven, waaronder de hier afgebeelde.
Voor mij persoonlijk (als geboortige Limburger) is bijzonder, dat hij heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de eerste topografische kaarten van die provincie. Hij was zelfs, in het begin van de 19e eeuw, een van de ‘aartsvaders’ van dat grootschalige project dat Limburg, letterlijk, ‘in kaart bracht’. In 1992 werden die oude kaarten gebundeld uitgegeven door Wolters-Noordhoff onder de naam Topografische Atlas van de Provincie Limburg. Ik mocht destijds als uitgever het voorwoord schrijven en het eerste exemplaar overreiken aan een hotemetoot in het Gouvernement van Maastricht. Feitelijk pronkte ik daar met andermans veren. Ik was anno 1992 weliswaar de uitgever van de kaarten, maar Gerrit Adrianus van Oosterhoudt had ze meer dan anderhalve eeuw eerder met noeste arbeid gemaakt — te paard, over diezelfde weggetjes die hij ook tekende.
