Je hebt kunstenaars die van elk schilderij een meesterwerk willen maken. Die voortdurend grenzen willen verleggen.
Dit miniatuurtje is, ergens halverwege de 19e eeuw gemaakt door een bijzonder vaardige schilder die met een paar penseelstreken een fraai werkje aflevert. De naam van de maker staat er niet onder. Vond de schilder het niet de moeite waard het schilderij te signeren?
Mogelijk is het een ‘maandagje’, zoals kunstkenners een vlot maar enigszins routineus geschilderd werkje noemen. En wilde de kunstenaar er al vanaf, voordat hij goed en wel aan het schilderijtje begonnen was. Een ‘moetje’ wellicht, zoals we die allemaal wel eens produceren? Flauwe soep bij het koken, een vergeten stukje grasveld tijdens het maaien, een slecht voorbereide vergadering, een slordig ingeparkeerde auto, een onbenullig verhaaltje zonder enige diepgang.
Eén ding is zeker: het is overduidelijk niet het werk van een amateur. Want het mag dan wel routineus gemaakt zijn, de meesterhand zorgde ervoor dat het werkje toch kwaliteit bleef houden.
Wie zou de maker zijn van dit ongesigneerde, mooie werkje? De dreigende wolkenpartijen, die rechts in beeld opdoemen, doen in eerste instantie vermoeden dat het ‘maandagje’ vlotjes geschilderd is door Johannes Franciscus Hoppenbrouwers (1819-1866), een leerling van de beroemde romanticus Schelfhout. De dreigende luchten die Hoppenbrouwers’ werk kenmerken, zijn namelijk ook op dit werk overduidelijk te zien. Dat vermoeden werd bevestigd toen ik een jaar of wat geleden een zeer gelijkend schilderij zag op de website van kunsthandel Simonis & Buunk. Het werd daar aangeprezen als een wintergezicht van Hoppenbrouwers.
Vanochtend zag ik dat hetzelfde schilderij door dezelfde kunsthandelaar inmiddels met grote zekerheid wordt toegeschreven aan een minder bekende schilder uit de 19e eeuw: Jacques van Hellenberg Hubar (1826-1892).
Wie was deze man? Een artikel in de Arnhemsche Courant uit 1879 licht een tipje van de sluier. De kunstredacteur van dat dagblad bezoekt een tentoonstelling waar ook twee van zijn werken hangen en schrijft: “Zijn schilderijen zijn voortreffelijk van toon en tekening en vol poëzie. Zoo men niet beter wist, zou men waarlijk niet geloven dat de schilder van ‘Een landschap bij Oosterbeek’ en een ‘Avondstond’, de heer Hellenberg Hubar, nog een andere loopbaan volgde, dan die het palet medebrengt.”
Wat was dan die andere ‘loopbaan’ van de schilder?
Welnu, Hellenberg Hubar bekleedde de functie van majoor-generaal, een van de hoogste rangen van het Nederlandse leger. Als regelrechte carrière-officier was hij van kapitein 1e klasse uiteindelijk opgeklommen naar drie sterren generaal (en had hij geen ruzie gekregen met de toenmalige minister van Oorlog dan was hij zowaar een heuse vier sterren stafchef geworden).
Hoe dan ook, met zijn glansrijke loopbaan trad hij in de voetsporen van zijn vader, de vechtjas en oorlogsheld Sebastien Trudo Adrien Hubar (1788-1879), die het evenals zijn zoon tot drie sterren generaal schopte.
Het is trouwens zeer de moeite waard ons even in het leven van zijn vader te verdiepen. Want over hem valt een boek te schrijven. Laten we het hier kort houden: de in Sint-Truiden geboren Sebastien begon zijn loopbaan als sergeant in het leger van Napoleon. Al snel werd hij bevorderd tot tweede luitenant, daarna tot eerste luitenant en uiteindelijk kapitein. Hij nam deel aan talrijke veldslagen in Spanje, Portugal, Duitsland en Bohemen, waarbij hij meermaals gewond raakte. Bij een van die gevechten werd hij door een geweerkogel in het hoofd geraakt. Omdat Sebastien geen teken van leven meer toonde, werd hij bijna in een massagraf gegooid. Zijn trouwe bediende wist dat op het laatste moment te voorkomen. Per ongeluk trouwens, want toen hij Sebastien vond, zocht de bediende naar de hem beloofde gouden munten in diens koppelriem. Toen zijn werkgever ineens tekenen van leven vertoonde, moest hij echter afzien van zijn oorspronkelijke plan. Enigszins hersteld en met een verband om het hoofd nam Sebastien vervolgens deel aan een andere veldslag, waarbij hij ditmaal in de onderbuik geraakt werd.
Zijn heldenmoed werd gezien en door de Keizer beloond met een benoeming tot ridder in het Legioen van Eer. Na de definitieve nederlaag van Napoleon trad Sebastien in Nederlandse krijgsdienst, vocht tijdens veldtochten tegen Belgische opstandelingen in de periode 1830-1832 en eindigde zijn carrière als opperbevelhebber van de vesting Maastricht.
Genoeg over de vader, terug naar zijn schilderende zoon Jacques. Hij trad in het voetspoor van zijn vader en bezocht in 1840-1845 de Militaire Academie in Breda, waar hij trouwens voor het eerst kennis maakte met het vak tekenen (destijds een technisch vak). Vervolgens werd hij gedetacheerd bij het Bureau van de Militaire Verkenningen, waar de vermaarde topografische kaarten werden gemaakt. Uit hoofde van zijn functie kwam Jacques, tijdens verkenningstochten, veel in de ongerepte natuur. Hier maakte hij zijn eerste landschapsschetsen. Op die manier ontwikkelde zich gaandeweg zijn talent en zo werd deze top-militair uiteindelijk een veelgevraagd schilder van romantische en bovenal vredige zomer- en wintergezichten.
Naschrift:
Hieronder de herziene toewijzing van het gelijkende kunstwerk, eerst aan Hoppenbrouwers en toen bij nader inzien aan Van Hellenberg Hubar.


