
Mijn keuken is, met alle kookdampen, de slechtste plaats om een schilderij op te hangen. Maar wonderlijk genoeg hangt dit schilderij, geschilderd op een ronde plank, daar precies op zijn plek.
Het is door een amateur geschilderd. Het mag geen naam hebben, maar omdat die er wel degelijk op staat, wil ik weten van wie de signatuur is. Wie is of was ’C. Kortleven’?
De vraag lijkt eenvoudig, en is dat in eerste instantie ook. Een paar uur in genealogische databases, een marinemuseum en het gedigitaliseerde regionale dagbladenarchief, en het leven van de man neemt vorm aan. Maar wat die contouren omsluiten, is groter dan wat het eenvoudige schilderijtje op de plank doet vermoeden.
Cornelis Kortleven werd geboren in Vlaardingen op 3 oktober 1925, als zoon van Adriaan Kortleven en Geertruida Hofland. Hij was een van de jongens uit een groot Vlaardings gezin dat in de jaren dertig van de vorige eeuw verhuisde naar een nieuwbouwwoning aan de Dijklaan — een gereformeerd-burgerlijke straat die toen aan de rand van de oude binnenstad werd opgetrokken.
Zijn vader werkte vermoedelijk in de visserij of in een toeleveringsbedrijf daaromheen; de gewone Maasstad-economie van die jaren. Niets ongewoons. Een Hollandse jeugd zoals er duizenden waren.
Een stamboomonderzoeken uit de familie achterhaalde dat Cornelis in 1943 gevangen heeft gezeten in Vught, een doorgangskamp voor tewerkstelling in Duitsland. Hij was dus dwangarbeider. Kennelijk is hij als jongen van achttien of negentien, opgepakt in een razzia of via een arbeidsoproep in Kamp Vught — het enige SS-concentratiekamp op Nederlandse bodem — terechtgekomen en vandaar uit doorgevoerd naar de Duitse oorlogsindustrie. Wat hij daar deed, in welke fabriek, onder welke omstandigheden, staat nergens vermeld. Maar als de bevrijding in mei 1945 komt, is hij negentien jaar oud en heeft hij al het nodige meegemaakt.
Drie maanden na de bevrijding meldt hij zich vrijwillig bij het Korps Mariniers.
Op 9 augustus 1945, één week voor de Japanse capitulatie, tekent Cornelis Kortleven als Oorlogsvrijwilliger. Hij vertrekt naar het opleidingskamp in Tilburg. Het zakboekje wordt hem uitgereikt op 10 oktober 1945, een week na zijn twintigste verjaardag. Stamboeknummer 4507177.
Tilburg was trouwens niet de plek waar de eigenlijke gevechtsopleiding plaatsvond. Het was het opkomstcentrum — het aanmeld- en ontvangstcentrum waar de oorlogsvrijwilligers werden ingeschreven, gekeurd, gekleed en administratief opgenomen. De echte training liep via een ander traject. De mariniersrekruten gingen, voorzien van een Amerikaans mariniersuniform, per lijnschip of LST naar de Verenigde Staten, waar zij in Camp Lejeune in North Carolina (later Camp Davis) eerst twaalf weken een basistraining voor rekruten kregen, gevolgd door ‘combat training’.
Op 17 november 1945 scheepte zijn brigade zich in vanuit de Amerikaanse marinehaven Norfolk aan boord van het MS Noordam naar Nederlands-Indië. Dat gebeurde overhaast, omdat de mariniersbrigade door de capitulatie van Japan niet meer in de geallieerde militaire planning paste. De taak waarvoor Nederland haar wilde inzetten — gezagsherstel in Nederlands-Indië — strookte niet met het anti-koloniale beleid van de Amerikaanse regering. Ze waren, kort gezegd, niet langer welkom.
Terug naar Cor Kortleven. Waarom koos een jongeman die net terug is uit Duitse dwangarbeid en met veel pijn en moeite een oorlog overleefd voor deelname aan een andere? De vraag is misschien niet meer te beantwoorden. Voor sommigen was het ideologie: het Vaderland heeft hen nodig in Indië, voor anderen was het armoede, of dorst naar avontuur, of simpelweg niet weten waar in vredestijd nog plaats voor hen zou zijn.
Hij vaart naar Indië en dient daar tijdens de eerste en tweede politionele actie, feitelijk een koloniale oorlog, bedoeld om het Nederlands gezag te herstellen. Hij klimt op tot Tijdelijk Sergeant der Mariniers. Op 16 oktober 1948, in ’s-Gravenhage, ontvangt hij het Demobilisatie Insigne Nederlandsch-Indië der Koninklijke Marine. Hij is dan 23 jaar en heeft de drie meest gewelddadige episodes uit het midden van de twintigste eeuw — Duitse bezetting, dwangarbeid, koloniale oorlog — meegemaakt.
Hij gaat terug naar Vlaardingen. Dijklaan 7. Het ouderlijk huis.
In de Nieuwe Vlaardingsche Courant van 27 januari 1950 duikt zijn naam opnieuw op; hij staat in een lijst van ondertrouwden. Op 22 februari trouwt hij met Hendrika Jacoba (Henny) van Krimpen, achttien jaar oud. Hij wordt werktuigkundige. Hij wordt vader. Hij overlijdt in 2004, op zijn achtenzeventigste.
En ergens in dat lange burgerleven, in 1986 als ik de signatuur goed lees, neemt hij een rond houten paneeltje, mengt zijn verf en schildert dit.
Een Hollands winterlandschap op een ronde, houten plank. In navolging van een werk van de 19e eeuwse romantische schilder Lodewijk Johannes Kleijn (1817-1897), een van de betere leerlingen van de beroemde winterschilder Schelfhout. Het is weliswaar amateuristisch gemaakt en kan zich niet meten met de meester, maar Cornelis voegt er desalniettemin een eigen eigen element aan toe: een melklmeisje op de rechteroever die met melkbussen in de weer is.
Cornelis Kortleven schilderde, vermoed ik, naar een voorbeeld — een ansichtkaart, een kalenderprent, een reproductie uit een huis-tuin-en-keukenkunstboek. Niet uit eigen observatie, niet uit een eigen winterse middag aan de Vlaardinger Vaart.
Voor een 61-jarige werktuigkundige die in zijn vrije tijd schildert is dit bovengemiddeld bekwaam. Er zijn passages — de wak, de wolken, de zorgvuldig gemodelleerde melkbussen — die op een eenvoudig amateurniveau geslaagd zijn.
Maar de essentiële vraag is een andere dan die naar techniek. De vraag is waarom een man met deze biografie precies dit schildert.
Misschien past het niet om een werk dat liefdevol door een huis-tuin-en-keuken schilder gemaakt is te psychologiseren. Het hangt in mijn keuken mooi te wezen. En zo is het goed. Amen.