In 1867 duikt hij op in Parijs waar hij in opdracht van keizer Napoleon III een schilderij maakt van een groots opgezet ‘gala soiree’, dat de keizer ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling organiseert. Zowat alle gekroonde hoofden van Europa staan op het doek, met de Franse keizerin Josephine als het stralende middelpunt. Op het schilderij van Tetar van Elven loopt ze gearmd met de Russische tsaar Alexander II. Die is zo blij met het schilderij dat ook hij een kunstwerk bij Tetar bestelt.
Op het werk staat in het handschrift van de schilder de Franstalige opdracht ‘a mon ami J. Ankers[mit]’, waarvan de laatste letters door de beeldrand worden afgesneden. De ontvanger is met grote waarschijnlijkheid Jacobus Ankersmit (1836-1905), een Amsterdamse patriciër en kunstverzamelaar, rijk geworden door de tabakshandel. Hij is in 1884 gedocumenteerd is als bestuurslid van Natura Artis Magistra en van 1889 tot 1899 voorzitter was van de Vereniging Rembrandt — de belangrijkste Nederlandse organisatie voor museale kunstverwerving. Zijn eigen verzameling, geveild in januari 1905 bij C.F. Roos & Co. in De Brakke Grond te Amsterdam, omvatte werken van Bosboom, Jacob Maris, Mauve, Israëls, Weissenbruch en Roelofs — en: een tekening van Pierre Tetar van Elven zelf.
De vriendschap tussen beide mannen past naadloos in het Amsterdamse kunstnetwerk van de tweede helft van de 19e eeuw, waarbinnen de familie Tetar van Elven via ‘Arti et Amicitiae’ en ‘Artis’ generaties lang circuleerde. Ankersmit en Tetar van Elven worden in 1884 expliciet samen genoemd als aanwezigen bij hetzelfde Amsterdamse kunstfeest, als leden van hetzelfde bestuursmilieu.
Ankersmit was niet zomaar iemand. Hij gaf, als medeoprichter en eerste boegbeeld van de Vereniging Rembrandt (1883), vorm aan het collectieve particuliere mecenaat in Nederland. Zijn grote betekenis ligt in deze institutionele uitvinding: in een tijd waarin een onverschillige overheid geen aankoopbudget vrijmaakte en nationale kunstschatten massaal naar het buitenland verdwenen, organiseerde de kring rond deze Amsterdamse tabakshandelaar koopkracht. Door privékapitaal te bundelen om topstukken te behouden voor Nederland, stond hij aan de wieg van het moderne, georganiseerde kunstbehoud. Met louter vrijwillige giften en particulier initiatief moest hij het structurele falen van een terugtredende overheid opvangen.
