De boom op dit schilderij is een exemplaar die je in het wild nooit zult tegenkomen. Dat is maar goed ook, want hij staat voortdurend op omvallen. En wat de schilder precies boven de ingang van het huis op de eerste verdieping heeft willen afbeelden, zal wel voor eeuwig een raadsel blijven. Ook de weergave van het perspectief is dramatisch: kijk maar naar de sleesporen die in de verte steeds breder worden in plaats van kleiner.
Over de wijze van afbeelden van de mensen op het doek wil ik niet te lang uitweiden. Het lijken wel dwergen, het ene figuurtje nog meer dan het andere. De huisjes om de molen heen hebben overigens de onbedoelde grootte van kippenhokken, onbedoeld voor menselijke bewoning. Op de achtergrond staat de torenspits zo uit het lood dat een spoedige instorting onvermijdelijk is.
Vanuit het perspectief van de schilderkunst is hier dus sprake van een regelrecht drama.
En dan te bedenken dat onze amateur zich heeft gewaagd aan een compositie van de 19e eeuwse romantische meester Charles Leickert — een van de grote namen in het genre van het Nederlandse winterlandschap. Bij Leickert staat diezelfde trapgevel op exact dezelfde plek, staat dezelfde kale boom op dezelfde as, staan kerk en molen in dezelfde diagonaal, en bewegen de schaatsers over hetzelfde bevroren water. Maar Leickert schilderde zijn versie met de zelfverzekerde precisie van een vakman die het genre volledig beheerste: een stralende lucht, feilloos perspectief, figuren van vlees en bloed. Onze schilder nam zijn compositie als vertrekpunt, met het bekende resultaat.
En toch. Toch ontroert het tafereel mij op de een of andere manier. Want het plezier waarmee het door de amateurschilder is gemaakt, spat van het doek af. Is het van een kind of een bejaarde? Of iets er tussenin?
De kans dat je in het land der amateurs ook maar een beetje biografische informatie terugvindt, is nihil. Toch ben ik in mijn speurtocht naar de maker op ene W. Huijgen gestuit. Ergens in de kelders van kasteel Doorwerth, waar het Nederlands Jachtmuseum gehuisvest is, heeft men zeven jaar geleden een schilderij aangetroffen waarop een reebok afgebeeld staat aan de bosrand, tussen een paar torenhoge bomen. Volgens het berichtje dat ik daarover las, was dit schilderwerk gemaakt door de schrijver en jager Wil Huygen (1922–2009). Ik lees: “Conservator Camille Courbois was zeer verrast. In de bibliotheek bevindt zich een aantal boeken van Huijgen, maar hij wist niet dat deze ook schilderde.”
Zo’n berichtje geeft houvast, dat is duidelijk.
Speurwerk naar het reilen en zeilen van deze amateurschilder levert op dat Huygen in het dagelijkse leven arts was, maar vooral bekend werd als auteur van teksten in een serie boeken over kabouters, waarvoor de beroemde Rien Poortvliet de illustraties maakte. Kleine schepsels, kabouters — vijftien centimeter hoog, zo staat het in de boeken zelf — maar wereldberoemd. De Engelse vertaling stond zelfs langer dan een jaar op nummer één van de New York Times-bestsellerlijst.
Ik heb wel eens gehoord dat een Franse kok in combinatie met een Engelse butler een hemelse combinatie oplevert. En een Franse butler in combinatie met een Engelse kok een helse.
Poortvliet dus de illustraties, Huijgen de teksten. Schoenmaker, blijf bij je leest.
Een reusachtig sterk duo.
Naschrift:
Maar wie was deze Wil Huygen (die signeerde met ‘W. Huijgen’) eigenlijk?
Wil Huygen leidde wat je een ‘dubbelleven’ zou kunnen noemen, of misschien wel een ‘driedubbel leven’. Overdag was hij huisarts in de Nijmeegse wijk Berg en Dalsewijk, waar hij in bijna dertig jaar zo’n vijfduizend patiënten behandelde en eigenhandig bijna tweeduizend baby’s ter wereld hielp. Kleine mensenlevens, net begonnen. ’s Nachts schreef hij. Niet omdat hij dat zo romantisch vond, maar omdat hij geen letter op papier kreeg zolang zijn werk als arts niet af was. De nacht was de enige tijd die hem echt toebehoorde.
Behalve arts en schrijver was hij jager, hockeyer, tennisspeler, Wagnerliefhebber — en na zijn pensionering, naar eigen zeggen “sinds enige tijd”, ook schilder. Stilzitten kon hij geen vijf minuten. Hij vond het zelf een handicap. “Ik wil mijn tijd goed gebruiken en kan me gruwelijk ergeren als ik om me heen kijk en zie hoe veel mensen hun tijd verspillen.”
Zijn schrijversloopbaan begon bescheiden, met sfeerstukken over de jacht voor het tijdschrift De Nederlandse Jager. Die stukjes trokken de aandacht van de markante auteur Godfried Bomans, die er een keer een voorwoord bij schreef. Zo ontstond een vriendschap voor het leven. Ze rookten samen, dronken samen, en Huygen bood zijn vriend met enige regelmaat een sigaar aan. Dat laatste zou hem zijn leven lang bijblijven. Want Bomans stierf in december 1971, aan een hartaanval na een televisie-optreden — moe, overbelast, en al te lang omgeven door de rook van sigaren en sigaretten die hem niemand had afgenomen, ook Huygen niet. In de rouwpublicatie die Huygen schreef klinkt een arts door die zichzelf aanklaagt: hij had het kunnen weten, had het kunnen zeggen, had het moeten verbieden — maar Bomans kon toch nooit nee zeggen, en Huygen wist dat ook.
Al zijn boeken noemde Wil Huygen zelf “Spielerei” — ook de kabouterboeken die wereldwijd miljoenen lezers vonden. Waarmee hij feitelijk wereldroem vergaarde. Maar zijn eigenlijke ambitie verwoordde hij in een interview in 1988 toen hij ronduit aangaf: “Ik hoop nog eens een echt serieus boek te schrijven.”
Hij was toen 66. Naast de reus Poortvliet, wiens tekeningen de wereld veroverden, bleef Huygen in zijn eigen ogen de man van de teksten — de stille kracht achter het grote verhaal. Het serieuze boek is er nooit gekomen. Zijn meest persoonlijke werk bleef ‘En buiten lag het paradijs’, een autobiografisch relaas over zijn jeugd aan de Eem in Amersfoort. Toen zijn broers het lazen, hadden ze de tranen in de ogen.
Na zijn pensionering trok hij zich terug in Tienhoven, aan de Stille Plas, in een landhuis tussen het groen. Daar stond zijn atelier. En daar schilderde hij, in 1994, een winterlandschap naar Leickert — met een boom die op omvallen staat, een torenspits die dat ook doet, en op het ijs de vertrouwde dwergen die toch vrolijk hun weg vervolgen. Misschien waren ze hem inmiddels dierbaar geworden, die kleine figuurtjes. Hij had er zijn leven aan gewijd.
Hoe dan ook, het is gemaakt door een rusteloze man die elk moment van zijn leven ten volle wilde benutten — en die zich gruwelijk ergerde aan mensen die dat niet deden. Het is misschien geen meesterwerk dat bij ons thuis aan de muur hangt, voor de kunsthandel een amateuristisch, goedkoop werkje. Maar het is geschilderd door iemand voor wie de tijd kostbaar was. Dat maakt dit schilderij zo waardevol.
Hieronder het schilderij dat Leickert in 1861 schilderde.

