
Toen ik net met mijn verzameling van winterschilderijen begonnen was, kocht ik alles wat los en vast zat. Want ik vond het allemaal even mooi en had nagenoeg geen verstand van dit genre. Eén van de impulsieve online aankopen uit die tijd hangt nu al jarenlang in de hal van ons huis. Het is een oud winterlandschap op paneel, gekocht voor een habbekrats bij iemand die vertelde dat het een oeroud familiestuk was dat hij op een gegeven moment kwijt wilde.
Het schilderij ziet er op het eerste gezicht ietwat amateuristisch uit; de lucht lijkt te snel geschilderd, de wolken hangen er in flarden bij. Maar de doorzichtige schaatsers op het ijs fascineerden me van meet af aan, vooral hoe ze contrasteren met de twee fraai afgebeelde mensen aan de wallenkant. Het tweetal is zonder meer prachtig, levendig en gedetailleerd geschilderd.
Die paradox tussen de vaag weergegeven schaatsers en het keuvelende duo langs de kant, maar ook het spel tussen licht en donker op het schilderij, gaf het werk een zekere charme waardoor ik er steeds naar bleef kijken in het voorbijgaan.
Rechtsonder op het paneel zaten wat vage krabbels. Zo af en toe had ik geprobeerd ze te ontcijferen. Met lampjes, loepen, van alles en nog wat. De signatuur was er, maar bleef een mysterie voor me.
De aanhouder wint. Dankzij een felle herfstzon die schuin door onze kamer naarbinnen scheen, lukte het me gisteren eindelijk om de hoek te vinden die de verf deed oplichten. Daar, onder de oppervlakkige verflaag, zag ik een duidelijke ‘J.’ Met daarachter, na veel turen, de zwierige lus van een hoofdletter ’T’.
Nu had ik eindelijk een spoor. Om een lang verhaal kort te maken: mijn zoektocht leidde me via online archieven en kunstenaars-databases, naar Johannes Tavenraat (1809-1881).
Er ging een leven voor me open. Tavenraat blijkt een buitenbeentje te zijn, een excentriekeling. Hij schilderde anders dan zijn 19e eeuwse tijdgenoten, die zich toelegden op hypergedetailleerde en zoetgevooisde landschappen. Ruige kunstwerken met dramatische licht-donkereffecten waren Tavenraats specialisme. De natuur was bij hem niet lieflijk, zoals bij zijn collega’s, maar woest. Niet alleen op de grond spookt het, ook de wolken jagen op zijn schilderijen onrustig door de hemel.
Zijn stijl – die lossere, snellere penseelvoering en focus op sfeer – werd hem niet in dank afgenomen door kunstcritici en hij kreeg er behoorlijk van langs. Want menigeen vond zijn werk ‘onaf’, ’te wild’ of ‘overdreven en fantastisch’. Een recensent uit 1841 schreef zelfs:

“De heer Tavenraat houdt van excentriciteiten; zoo zagen wij voor eenige jaren een paneel van zijne hand beschilderd met blaauwe, roode, geele, paarse, grijze en witte horizontale streepen, en wij vernamen dat dit een gezigt op den Theems bij winter moest voorstellen […..] Wanneer de heer T. uit zijne sfeer van hoogdravende poëzij wilde neerstijgen en eenvoudige waarheid voorstellen, wij zouden een talentvol landschapschilder gewonnen hebben.”
Weer een andere criticus gaf hem deze goede raad: “Hij verbanne alle overdrevene en fantastische denkbeelden, hij volge Moeder natuur getrouw na, bestudere haar vlijtig, en hij zal er gewis komen.”
De kritiek deed hem niets; Johannes Tavenraat kon het zich veroorloven om eigenwijs te zijn. Hij kwam immers uit een schatrijke Rotterdamse ondernemersfamilie, was weliswaar voorbestemd voor de handel, maar koos op zijn dertigste toch voor de kunst. Hij was een romanticus, maar dan van het excentrieke soort. Vastberaden bleef Tavenraat zijn eigen, expressieve weg volgen, wars van de heersende smaak in het 19e eeuwse Holland. In de vele buitenlanden die hij bezocht deed hij zijn inspiratie op: in Duitsland, Bohemen, Frankrijk maar vooral in Engeland, waar hij in Londen het werk van een verwante geest ontdekte. Daar bezocht hij een tentoonstelling van de eigenzinnige (en inmiddels wereldberoemde) landschapschilder Joseph Mallord William Turner. En ontdekte hij een heuse zielsverwant.
Nu ik de kriebels heb ontcijferd en ontdekt heb wie de maker van het schilderij was en wat hem inspireerde, zie ik het werk ineens met andere ogen. Het is dus geen broddelwerk, maar ontstaan uit een bewuste, tegendraadse artistieke keuze van de maker. De haastige lucht en de ruwe penseelstreken getuigen daarvan. Tavenraat schilderde het, om één specifiek moment in de tijd vast te houden, te bevriezen.
Het kunstwerk blijkt een zeldzaam voorbeeld van een kunstenaar die zijn eigen pad koos, vooruitliep op zijn tijd, en pas decennia later, in 1921, postuum werd geprezen als ‘de laatste romanticus met eere’.
Naschrift:
Toen Tavenraat in 1839 zijn familie meedeelde dat hij kunstenaar wilde worden, stuitte dat op veel verzet en leidde dat tot dramatische taferelen. Zijn tante wierp zich voor zijn voeten in een poging hem af te houden van zijn voornemen. Gelukkig slaagde ze daar niet in. Anders had ik nu een lege plek aan mijn muur.