
Het is ongesigneerd, dus weten we niet wie dit stemmige schilderijtje heeft gemaakt. In het midden zien we een eenzame schaatser – hij draagt een kniebroek van rond 1890 – en staat op ijzers die in die tijd met riemen onder het schoeisel werden bevestigd. Rechts van hem eist een vervallen romaans bouwwerk alle aandacht voor zich op. Het schittert in de avondzon. Juist die rode gloed benadrukt de sfeer die hoort bij ‘het gouden uur‘, wanneer de dag weifelend overgaat in de nacht.
De manier waarop de man op de voorgrond met een paar rake penseelstreken is afgebeeld, verraadt dat hier een bijzonder bekwame schilder aan het werk is geweest. Niet iemand die de winterlandschappen maakte waarmee Schelfhout en Koekkoek later beroemd zouden worden — want die meesters kwamen later, nadat dit werk toestand was gekomen. Dit schilderij gaat aan hen vooraf.
De schaatser oogt zó levensecht, dat je uit zijn houding kunt afleiden hoe onzeker hij is over de kwaliteit van het ijs. Voetje voor voetje lijkt hij het draagvermogen van het ijs te keuren. Is het wel dik genoeg? Ook de man die achter hem schoorvoetend over de bevroren rivier loopt, test met een stok die hij voor zich uithoudt, het ijs. Hij heeft groot gelijk: als je in een rivier in een wak tuimelt, ben je reddeloos verloren. De sterke onderstroming sleept je dan genadeloos mee.
Zijn houding is weliswaar levensecht, toch is de hoofdfiguur op dit schilderij transparant geschilderd. Het ijs lijkt door hem heen te schijnen. De schaatser gaat helemaal op in het landschap, als een geestverschijning, een passant in de tijd die altijd doorgaat. Dat is geen toeval, maar de boodschap van het hele werk: de mens is vergankelijk, net als het ijs waarop hij staat, net als de ruïne die ooit een levende gemeenschap herbergde en nu langzaam terugkeert naar de aarde. De afbrokkelende mergelstenen, de ijsblokken op het ijs dat ooit weer zal smelten… Dit is geen romantisch werk zoals er later, in de 19e eeuw veel gemaakt zullen worden. Het is eerder verwant aan het sentimentalisme dat spreekt uit ‘die Leiden des jungen Werthers’ van Goethe en de ‘Julia’ van de Nederlandse schrijver Rhijnvis Feith. Ze verwoorden, evenals dit schilderij, een stille, ingehouden melancholie.
De schilder moet het Rijnlandschap uit eigen waarneming gekend hebben. De mergelstenen ruïne, het heuvelachtige achterland met zijn kasteelsilhouet in de verte — het zijn geen fantasie-elementen maar herinneringen aan een specifieke streek, ergens tussen Arnhem en Koblenz. En toch componeerde hij het tafereel volgens de oude Hollandse traditie: de lage horizon, het brede bevroren water, de lucht die alles overheerst. Was de schilder een Nederlander die de wereld had gezien, of een Rijnlander die zich de Hollandse manier van kijken eigen had gemaakt? Er is geen signatuur en misschien maakt dat het werk tijdloos.
Links staat een groene boom — een mediterrane den die hier eigenlijk niet thuishoort. De boom staat er niet per ongeluk. Tussen al het vergankelijke, het ijs, de uien, de mens die doorzichtig is weergegeven, is die altijd groene den het enige levende, het enige blijvende. Maar de mens, zijn bouwwerken, maar ook het ijs en de dag zijn vergankelijk. Die boodschap heeft eeuwigheidswaarde..
