Behalve de marktprijs die zijn schilderijen opbrengen, weten we verrassend weinig over het reilen en zeilen van René van den Mooter (1924-1985). Met veel moeite vind ik uiteindelijk een recensie over zijn werk die de Vlaamse kunstcriticus, Karel De Dekker, ooit schreef. Daaruit maken we op dat Van dene Mooter met talrijke ere-medailles overladen werd en dat zelfs Hare Majesteit Koningin Fabiola een werk van de kunstenaar in haar bezit had.
De criticus schrijft dit:
“Van den Mooter schildert vooral in de vrije natuur, omdat hij daardoor emotioneel in contact komt met het onderwerp dat zijn aandacht vraagt en hem bezighoudt. Hij heeft daardoor een techniek ontwikkelt die zowel door de geboden haast, als door de noodzaak de waargenomen werkelijkheid te benaderen en te evenaren, werd ingegeven.”
Maar wie was René van den Mooter? Ik ben niet de enige die dat wil weten. Want op een gegeven moment ontdek ik dit bericht van zijn dochter Ingrid van den Mooter op internet. Het is een oproep uit 2002:
“Ik zoek informatie of eventuele tips hoe ik iets te weten kan komen over de Belgische dwangarbeiders. Mijn vader, Rene van den Mooter (1924-1985) werd gestuurd naar Duinkerken om te bouwen aan de Atlantikwall.”
In mijn zoektocht stuit ik dus op een andere zoekende. Ik heb haar zojuist een mailtje gestuurd. En ik hoop dat ze niet al te teleurgesteld is, als blijkt dat ik haar niets kan vertellen over de positie van de Duitse dwangarbeiders bij de Atlantikwall, maar dat ik benieuwd ben naar het kunstenaarsleven van haar vader.
Ingrid heeft helaas nooit gereageerd. Dat is jammer. Want dankzij wat speurwerk, had ik haar dit kunnen vertellen over Duinkerken en het lot van de dwangarbeiders.
In de zomer van 1940, toen de Wehrmacht triomfantelijk door de straten van Parijs marcheerde, keken de Duitse generaals over Het Kanaal naar de witte krijtrotsen van Dover. Op slechts 33 kilometer afstand lag Engeland – zo dichtbij dat je bij helder weer de huizen kon zien. Duinkerken, dat kleine havenstadje aan de Frans-Belgische grens, werd plotseling het belangrijkste punt van heel Europa.
Hitler en zijn staf waren ervan overtuigd dat de geallieerden hier zouden terugkeren. Het was logisch: het kortste stuk water, de dichtstbijzijnde haven, de meest directe route naar het hart van Duitsland. Vanaf 1942 begon de grootste bouwwoede die de kust ooit had gezien. De Atlantikwall moest hier onneembaar worden. De zwaarste kanonnen van Europa werden in massieve betonnen bunkers geplaatst – monsters van 380mm en zelfs 406mm die granaten ter grootte van een kleine auto konden afschieten. De batterij Lindemann alleen al vuurde meer dan tweeduizend granaten op Dover af, een constante herinnering aan de Engelsen dat de oorlog nog lang niet voorbij was.
Voor dit titanenwerk had Organisation Todt arbeiders nodig – tienduizenden arbeiders.
In 1942 kwam de oproep. In Ruisbroek, Puurs, Boom en de andere dorpen langs de Rupel werden jonge mannen als René van den Mooter – toen 18 jaar oud – gedwongen hun spullen in te pakken. Ze werden in treinen geladen richting Noord-Frankrijk. Sommigen gingen vrijwillig, voor het geld of uit angst voor erger. Anderen werden bij razzia’s van de straat geplukt.
Van den Mooter had toen misschien al gedroomd van een leven als kunstenaar, van schilderen in de vrije natuur, van het vangen van het Vlaamse licht op canvas. In plaats daarvan kwam hij terecht in de hel van Duinkerken.
De werkkampen rond Duinkerken waren geen concentratiekampen in de klassieke zin, maar het leven er was hard en gevaarlijk. De mannen uit de Rupelstreek groeven bunkers in het zand, goten beton bij tientallen tonnen tegelijk, sjouwden wapenstaal en betonijzer. Ze werkten aan de verdedigingswerken rond Fort des Dunes, aan de geschutstellingen bij Zuydcoote, aan de eindeloze reeks bunkers die als paddenstoelen uit de grond verrezen.
’s Nachts lagen ze uitgeput in hun barakken, luisterend naar het gedreun van geallieerde bommenwerpers die op weg waren naar Duitsland. Overdag werkten ze onder toezicht van Organisation Todt-functionarissen en Duitse soldaten. Het was zwaar werk – te weinig eten, te lange dagen, gevaar overal. Vanaf 1943 begonnen de geallieerde bombardementen. De Engelsen en Amerikanen dachten aanvankelijk dat hier de invasie inderdaad zou plaatsvinden en begonnen het gebied systematisch te bombarderen. Tegen 1944 waren de bombardementen bijna dagelijks. In die bommenregen probeerden de dwangarbeiders te overleven.
Toen D-Day kwam op 6 juni 1944, gebeurde het onvoorstelbare: de geallieerden landden in Normandië, niet in Duinkerken. Hitler’s obsessie met Duinkerken was een catastrofale misrekening. Het titanenwerk aan de Atlantikwall bij Duinkerken – waar René en tienduizenden anderen jaren aan hadden gebouwd – was volstrekt zinloos geweest. De geallieerden trokken snel op door Frankrijk en omsingelden Duinkerken in september 1944. Maar ze vielen niet aan. Ze hadden geleerd van de bloedige strijd om andere “Festungen” – een frontale aanval zou te veel levens kosten. In plaats daarvan lieten ze Duinkerken belegerd achter.
Voor René en zijn lotgenoten betekende dit bevrijding. De meesten konden terugkeren naar huis, naar hun dorpen langs de Rupel. Maar niet iedereen had zoveel geluk. Veel Belgische dwangarbeiders waren al eerder overgebracht naar concentratiekampen of andere werkkampen. Van de meer dan tweeduizend Joodse mannen die uit België naar Noord-Frankrijk waren gedeporteerd als dwangarbeiders, werden de meesten uiteindelijk doorgestuurd naar Auschwitz. Slechts een handvol overleefde.
René van den Mooter keerde terug naar Ruisbroek, naar zijn familie, naar zijn droom van het kunstenaarschap. Hij studeerde aan de academies van Mechelen en Sint-Niklaas, werd leraar in Boom, een gerespecteerd portretschilder en landschapschilder. Hij schilderde de winterse straten van zijn streek, de dorpjes langs de Rupel, de mensen die hij kende.
Maar de oorlog liet hem nooit helemaal los. Toen hem jaren later werd gevraagd om portretten te schilderen in Syrië – een lucratieve opdracht, een kans om de wereld te zien – zei hij nee. Hij bleef in Vlaanderen. In zijn biografie noemt men het “heimatgerichtheid”, maar het was meer dan dat. Van den Mooter was een man die zijn portie van de wereld had gezien en die had besloten dat hij nooit meer van huis zou gaan.
Hij stierf in 1985, zestig jaar oud, een gerespecteerd kunstenaar en ere-burger van Klein-Brabant. In het winterlandschap uit 1979 – gemaakt zes jaar voor zijn dood – zie je die keuze terug: een bescheiden Vlaams weggetje, bomen zonder bladeren, een stille figuur in de verte. Hij wilde zijn wereld klein houden en zocht de stilte omdat hij meer dan genoeg had meegemaakt.
Over stilte gesproken. Kennelijk heeft Van den Mooter, ook in huiselijke kring, niets willen loslaten over zijn traumatische oorlogservaringen. Waardoor zijn dochter, via oproepen in de media, pogingen doet meer aan de weet te komen over het lot van haar vader.
