‘Ware liefde’, ‘eeuwige vriendschap’… Helaas weten we dat deze ‘ideaalbeelden’ vooral in feel good movies, zoals ‘Four weddings and a funeral’ en ’the Sound of Music’ bestaan. Toch spiegelen we vaak ons liefdesleven en onze vriendschappen hieraan. Dat kan voor menigeen, in de alledaagse werkelijkheid, een nogal ontnuchterende ervaring opleveren.
Maar waarom koesteren we droombeelden? Zijn ze echt onrealistisch?
De Griekse filosoof Plato was ervan overtuigd dat er achter onze werkelijkheid een andere schuilgaat. In onze realiteit is alles veranderlijk en daardoor kan die niet ‘echt’ zijn. De objecten die we zien en voelen, veranderen immers constant, komen op en gaan ten onder. De bomen, de dieren, de mensen om ons heen
Maar volgens Plato bestaan al die dingen vanwege het feit, dat elk van hen de weerglans is van een hogere, ware wereld. En de vormen waarnaar we kijken, zijn slechts afspiegelingen van die ‘oervorm’.
Plato die rond 400 voor Christus leefde, spreekt in dit verband van ‘eidos’. Volgens de filosoof zit in deze ‘eidos’ het wezen van de dingen besloten. Een concrete boom of schaatser is vergankelijk. Maar de oervorm van een boom of schaatser is eeuwig. De zichtbare wereld is dus niets meer dan ‘de best mogelijke afspiegeling’ van de ‘echte’ wereld. Die volmaakte wereld hangt als een schaduw over onze wereld heen.
Is die ‘echte’ wereld achter de onze waarneembaar, bijvoorbeeld voor kunstenaars? Veel 19e eeuwse romantische schilders, ook die van winterlandschappen en schaatstaferelen, zochten de ‘eidos’, de oervorm dus. Daarvoor was in hun ogen een ‘ingeving’ nodig die als bron van inspiratie moest dienen.
Dat was het vertrekpunt voor de romantici. Latere kunststijlen, zoals het impressionisme en daarna het expressionisme zetten zich weliswaar tegen de Romantiek af, maar bleven feitelijk ook uitgaan van die zoektocht naar de ware gedaante.
Ook van deze twee expressionistische schilderijen van Harry van Dongen (1909-1995) kan men die zoektocht als het ware aflezen.
Behalve met filosofie, hield Van Dongen zich ook bezig met het alledaagse bestaan. Hij moest van zijn schilderijen leven en deed dat op economisch verantwoorde wijze. Daarom werkte hij onder meerdere namen om zijn werk optimaal te positioneren in verschillende nationale kunstmarkten. De naamkeuze was een handelsinstrument: ‘Harry van Dongen’ voor de Nederlandse markt, waar men prijs stelde op een ambachtelijke, degelijke, vertrouwde maker van een ‘Hollands’ kunstwerk. Voor de Engelstalige exportmarkt signeerde hij met met een andere, meer elitaire voornaam: ‘Hugh van Dongen’. Alsof hij afgestudeerd was aan Oxford of Cambridge. Voor de Duitstalige markt gooide hij zowel zijn voornaam als achternaam overhoop. Hier koos hij voor een klassieke, adellijke uitstraling en liet hij zich ‘Christian Baron’ noemen.
Deze praktijk was in de naoorlogse kunsthandel gangbaar en had geen betrekking op artistieke identiteit, maar speelde in op distributie, prijsstelling en publieksverwachting. “τί δύναμις ὀνόματος”, zou Plato waarschijnlijk zeggen: “What’s in a name”.

