Een a-typisch winterlandschap dat, op het eerste gezicht misschien ‘Hollands’ oogt, maar waarvan je duidelijk kunt aflezen dat het niet van Noord-Nederlandse oorsprong kan zijn.
Waaraan je dat kunt zien?
In de eerste plaats is de horizon te hoog geplaatst, ongeveer op de helft van het paneel. De meeste Hollandse ijsgezichten benadrukken de grootsheid van de natuur door het schilderen van een lage horizon met enorme wolkenluchten. Op die manier wordt de blik van de toeschouwer naar het oneindige getrokken. Dat gebeurt op dit schilderij niet. De voorgrond eist alle aandacht voor zich op.
Een ander opvallend verschil met Hollandse winterlandschappen heeft met de afbeelding van ‘mensen’ van doen: op het hier getoonde schilderij staan vijf individuen centraal. Zij kijken naar elkaar en zijn zelfs met elkaar in gesprek. Op de meeste Hollandse winterschilderijen zijn ‘mensen’ echter niet meer dan voorbijgangers, schimmen waarvan de contouren amper zichtbaar zijn. Ze worden vaak vanaf de rugzijde afgebeeld, want hun gelaat doet er niet toe.
Dit schilderij is geen lofzang op de grootsheid van de natuur, integendeel: het ijskoude weer is juist problematisch. En je krijgt medelijden als je naar het koukleumende kind links kijkt. Het kunstwerk vertelt dus een (klein) verhaal door een specifiek, ingekaderd beeld te tonen. Vooral de getoonde tegenstellingen zijn opvallend: arm versus rijk, ontbering versus ijspret, kinderen versus volwassenen. Het is schilderij lijkt op een foto, een momentopname van een (vluchtig) contact tussen twee werelden. Waarbij één van de schaatsers zich, heel even maar, verhoudt tot een van de kinderen.
De Hollandse winterlandschappen zijn daarentegen tijdloos. Ze gaan voorbij aan het moment, besteden geen aandacht aan een specifiek voorval, of een incident. Ze streven een eindeloze, ‘atmosferische werking’ na. Daarom tonen de Hollandse schilders vaak een quasi-willekeurige uitsnede van de natuur, waarbij ze niet focussen op een handeling of gebeurtenis.
Uiteraard kun je uit de signatuur, links onderaan het schilderij, opmaken waar het kunstwerk vandaan komt. De handtekening op dit schilderij is weliswaar lastig te ontcijferen, maar met behulp van een ouderwetse loep, kom je uiteindelijk bij de naam ‘De Smet‘ uit, een niet veel voorkomende familienaam in Nederland. In België komt die naam echter frequent voor.
In eerste instantie zijn er twee schilders met die naam die in aanmerking komen: Gustave Franciscus de Smet (1877-1943) en Léon de Smet (1881-1966). Beide kunstenaars zijn regelrechte beroemdheden,
Gustave transformeerde de Vlaamse volkscultuur – kermissen, circussen, boerenleven – tot een krachtige expressionistische beeldtaal met kubistische invloeden. Hij verwierf internationale erkenning als een van de belangrijkste Belgische kunstenaars van de 20e eeuw. Zijn broer Léon staat bekend als een vermaard impressionist en pointillist die prachtige landschappen, zeegezichten en bloemstillevens maakte. Beiden plaatsten de Vlaamse kunst op de wereldkaart.
Los van deze giganten komt nog een derde kandidaat in beeld: in 1961 gaf Léon de Smet een interview waarin hij aangaf dat hij en zijn broer “het talent waarschijnlijk van onze vader Jules hebben meekregen.” Deze Jules de Smet was een decoratie- en rijtuigschilder die in 1844 in Gent geboren werd.
Wie heeft nu ‘mijn’ schilderij gemaakt? Geen van drieën. Een analyse van het schilderij (naar de ouderdom van het paneel, de craquelé-vorming, de kledij van de afgebeelde figuren) toont aan dat het rond werk 1840 gemaakt moet zijn. Daardoor vallen zowel Léon en zijn broer Gustave, maar ook hun vader Jules af als mogelijke maker.
Maar er moet toch een De Smet vindbaar zijn, die het gemaakt heeft?
Misschien is het wijs nog eens goed naar het schilderij te kijken. Wat gelijk opvalt is dat het ambachtelijk is uitgevoerd. Het contrast tussen de armoe van de hout sprokkelende kinderen en de welstand van de heren op het ijs wordt helder en direct gepresenteerd, zonder moraliserende of academische uitwerking. Dergelijke sociaal herkenbare motieven passen helemaal binnen de Vlaamse traditie van rijtuig- en decoratieschilders. Het is wijs de maker in die hoek te zoeken.
Nu werd in de 19e eeuw het vak van rijtuig- en decoratieschilder van vader op zoon doorgegeven. Jules, de vader van het beroemde tweetal, was decoratieschilder. Daarmee is het denkbaar dat de vader van Jules – en daarmee de grootvader van Léon en Gustave – de maker is geweest van het winterlandschap. Die vader houdt zich goed verborgen in de Belgische archieven en pas na lang zoeken duikt zijn naam op in de archieven van de Burgerlijke Stand: Franciscus de Smet, inderdaad ook al werkzaam als rijtuig- en decoratieschilder in Gent.
Het verhaal is nu rond. Franciscus gaf het ambacht van decoratieschilder door aan zijn zoon Jules en die gaf het schildertalent op zijn beurt door aan zijn beide zonen. Het interview dat Léon in 1961 gaf, bevestigt dat beeld van een familietraditie: “Vader Jules was ook kunstschilder maar daar hij arm was, moest hij er heel wat bij doen om aan de kost te komen. Hij was een echte specialist in het schilderen van hout en marmer en ook van uithangborden.Voor Gustaaf en voor mij is dat onze eerste leerschool geweest, want we hebben al vroeg moeten meehelpen.”
Terug naar het schilderij. Zoals gezegd, anders dan zijn Hollandse college-kunstenaars, heeft Franciscus de Smet geen romantisch tafereel willen schilderen. Het is eerder een confrontatie tussen mensen die genieten van het winterweer en diegenen die eronder lijden. De weergave van deze tegenstelling is niet alleen in lijn met de werkwijze van decoratieschilders uit de vroege 19e eeuw, maar ook hoe de Vlaming Pieter Bruegel de Oude (1525-1569) ooit armoede en welvaart naast elkaar toonde zonder te moraliseren.
Het kunstwerk vertelt een verhaal van twee warm geklede mannen die de ijzers hebben ondergebonden om een gezamenlijke schaatstocht over een bevroren vaart te maken. Hun blik is naar rechts gericht waar ze de drie kinderen ontwaren. Twee van hen staan recht overeind en verzamelen sprokkelhout. Om te overleven. Het derde kind heeft kennelijk het bijltje erbij neergegooid en hurkt met de armen over elkaar geslagen op de grond.
Dat moment heeft de schilder bevroren in de tijd.
Naschrift:
Hieronder een weergave van schilderijen van drie generaties van de familie De Smet; de werken van grootvader Franciscus, vader Jules, en zijn twee zoons Gustave en Léon.

