Na zijn opleiding aan de Haagse Kunstacademie vertrok de jonge kunstschilder Jaap Moody (1924-2017) pal na de oorlog naar Amsterdam. Het was een bijzondere tijd: de Nederlandse economie krabbelde langzaam op en de binnenlandse kunstmarkt bood nog weinig perspectief. Het land was zuinig, voorzichtig, en kocht vooral vertrouwde kunst van gevestigde namen. Voor een jong talent als Moody — gewaardeerd om zijn vaste hand en zijn overtuigende manier van het neerzetten van licht en sfeer — was dat een mager perspectief.
Maar Amsterdam bood een uitweg. Rond de Spiegelstraat en de Keizersgracht was in die jaren een levendige tussenhandel ontstaan die zich richtte op buitenlandse afzet.
Kunsthandelaren onderhielden intensieve contacten met galerieën in New York, waar de naoorlogse welvaart een enorme vraag had gecreëerd naar Europese sfeerlandschappen. Amerika was rijk geworden en wilde een stukje Europa in zijn huiskamers: Franse dorpsstraatjes, Provençaalse heuvels, Normandische boomgaarden.
Samen met een groepje professionele schilders ging Moody voor een New Yorkse galerie werken. De academische opleiding die hij in Den Haag had genoten — met haar sterke nadruk op tekenen naar observatie, klassieke schildertechnieken en landschapsvastlegging — bleek verrassend goed aan te sluiten bij wat de Amerikaanse markt vroeg.
Voor Moody was dit een uitgelezen kans. De handelaren bestelden bij hem Franse landschappen en betaalden daarvoor een bescheiden maar regelmatig loon. Voor de jonge kunstenaar was dat goud waard. Hij kon nu geld verdienen door verkenningstochten door Frankrijk te maken, een land waar hij graag rondreisde. Op zoek naar verlaten dorpjes en gehuchten trok hij dwars door Normandië, Bretagne en de Bourgogne en maakte hij schilderijen die uiteindelijk verdwenen in de handen van interieurontwerpers en belandden aan de muren van welgestelde Amerikanen.
Het was een leven tussen twee werelden: Nederland, waar hij werkte in stilte en regen, en Frankrijk, waar hij vaak schetste in zon en stof. En soms in de sneeuw. Uiteindelijk hing het resultaat dan in een appartement in New York of San Francisco.
Zo is ook dit schilderij ontstaan, ergens in de jaren zestig van de vorige eeuw, in een verlaten en besneeuwd dorp in de Bourgogne. Moody schilderde het met een paletmes — oorspronkelijk een gereedschap om verf te mengen, maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekt als middel om verf op een andere manier op het doek aan te brengen, waardoor het werk minder vlak wordt en diepte krijgt. Als een van de eersten experimenteerde Paul Cézanne (1839-1906) op deze manier, en na hem volgden vele anderen, onder wie dus ook Jaap Moody.
Terug naar de na-oorlogse generatie van kunstenaars. Ze verdienden hun brood, dat wel. Toch zat er ook een keerzijde aan deze comfortabele route. Want een hele generatie academisch opgeleide Nederlandse kunstenaars exporteerden weliswaar hun werk naar Amerika, maar kon zelden volledig een eigen stijl ontwikkelen.
De laatste dertig jaar van zijn leven woonde Moody in België, waar hij een zeer gewaardeerd kunstenaar was. Veel jonge en talentvolle schilders gingen bij hem in de leer, onder wie de Groningse landschapschilder Harold Kleyn. Ook zijn eigen dochter, de kunstenares Barbara Moody, leerde het vak van haar vader.
Over talent gesproken, in 2015 werd tijdens een expositie over Jaap Moody gezegd dat hij een ’talent’ was. Hij was toen al 91 jaar. “Twee jaar later, in 2017, is hij op hoge leeftijd overleden. Tevreden over zijn leven”, weet zijn dochter te vertellen.
