Anders dan veel andere winterlandschappen oogt deze prent niet kleurrijk, maar ronduit saai. Hij ademt een sfeer van degelijkheid uit. Volksvermaak en spelplezier zijn letterlijk naar de achtergrond verschoven. Laten we de afbeelding, getekend rond 1810, desondanks nader aanschouwen. Want het tafereel wil ons iets vertellen — alleen niet op de toon waarop het Hollandse ijsgezicht ons doorgaans aanspreekt.
De prent is een bezinksel van honderd jaar ‘verfransing’ van de Nederlandse cultuur. De maker toont geen toevallig moment, maar het het resultaat van een proces dat stapsgewijs verliep en zich pas hier, in deze compositie, volledig heeft uitgekristalliseerd.
Al vroeg in de 18e eeuw oriënteert het Hollandse patriciaat zich op de Franse hofcultuur. Pruiken, manieren, taal — wie wil meetellen, oriënteert zich op de Franse elite. In 1707 verschijnt het programmaboek dat die omslag voor de schilderkunst vastlegt: het Groot Schilderboek van Gerard de Lairesse, waarin de Hollandse traditie — boerenkermissen, dorpsgezichten, ijsvermaak — voortaan als ‘laag’ wordt afgedaan ten gunste van de Frans-classicistische historieschilderkunst.
Lairesse is een Luikenaar, Franstalig grootgebracht, geschoold in het classicisme van Bertholet Flémal. In het rampjaar 1672, toen Lodwijk XIV Nederland aanviel, werd hij in de kelders van het Amsterdamse stadhuis opgesloten omdát hij Frans sprak. Zeven jaar eerder, in 1665 had hij zich in Amsterdam gevestigd en werkte daar in een volstrekt Franse stijl. Dat juist zo’n importfiguur tegen het einde van zijn leven met zijn invloedrijke ‘Groot Schilderboek’ de schildertraditie van zijn nieuwe vaderland tot ‘laag’ verklaart, en dat dit boek tot in de 19e eeuw wordt herdrukt: dát is het symptoom waaraan de verfransing zich het scherpst aftekent. De smaak van het Hof van Versailles vestigt zich aan de Herengracht, voert er het woord, en noemt zich voortaan ‘Hollandse esthetiek’.
Daarop koerst de Hollandse regentenklasse. Niet de handelsgeest van de Gouden Eeuw, maar speculatie en rente voeren de boventoon. De ondernemer maakt plaats voor de rentenier, en die rentenier zoekt zijn culturele houvast bij de adel aan wie hij zich spiegelt— Frans, gepruikt, welgemanierd. De 18e eeuw heet niet voor niets de pruikentijd.
Halverwege die eeuw begint iemand zich te beklagen. Omdat er iets verloren dreigt te gaan.
In 1770 schrijft de geleerde J. Le Francq van Berkhey in zijn ‘Natuurlijke Historie van Holland’ dat het in zijn jeugd nog anders was. Iedereen was, zo herinnert hij zich, op het ijs te vinden: edele heren en dames, boerenkinderen, kooplui. “Een wellevend edelman bood beleefdelijk de hand aan een kittig boerenmeisje om haar ter schaatse te geleiden…” En spreekwoorden bevestigden die gelijkheid: “Op ’t ijs is alles gemeen” en “op ’t ijs kent men ’s lands wijs”. Berkhey hekelt vooral de houding van de elite: “Onze lieden van aanzien houden het schaatsenrijden tegenwoordig veelal voor een laag vermaak van de gemeenen man.”
Berkhey staat met zijn rug tegen de muur. Het patriciaat is al verfranst en de Franse legers, de veroveraars van 1795, gaan niet veel later komen. Hij ziet de richting, en betreurt haar.
Aan het eind van de 18e eeuw voegt de Verlichting daar iets aan toe. Rousseau, Voltaire en de hunnen leveren niet alleen ideeën, ze leveren een toon: rationalisme en moralisme. Wat eerst smaak was — Franse manieren — wordt deugd. Als de Franse legers in 1795 moeiteloos over de bevroren rivieren over trekken wordt Nederland weliswaar veroverd, maar was die overweldiging geestelijk allang een feit.
Tegen die achtergrond kan men deze prent van rond 1810 lezen.
De compositie volgt braaf een conventie die tijdgenoten rond 1810 onmiddellijk herkenden: de ‘trappen des ouderdoms’ of levenstrap. Een prentgenre dat sinds de 16e eeuw — vanaf Cornelis Anthonisz — in talloze varianten circuleert, vaak als prent aan de wand, met de fasen van het mensenleven opklimmend tot een hoogtepunt rond het vijftigste jaar en daarna afdalend naar de dood.
Links staat een knulletje met de armen uit elkaar, ontvankelijk voor de wereld. Het begin.
Rechts in beeld zijn we bij de volgende fase: trots als een pauw, gekleed als gardist, staat daar een potige jongeman met de handen in de zij — kom maar op.
Links van die hanige figuur duwt een wat oudere man een slee met twee vrouwen voort. Zijn de dames zijn aanstaande en haar moeder of haar chaperonne? De fase van ‘het hof maken’: actief, inspannend, gericht.
Helemaal links is de eindbestemming. Een weldoorvoede burger met een wandelstok, zijn echtgenote naast zich, beiden stevig op het ijs — zónder ijzers ondergebonden. Zij staan boven het volksvermaak. Het zijn ‘arrivés’, rechtschapen en weldoorvoed, zich ten volle bewust van hun maatschappelijke positie. Zij betrachten het schouwspel zonder eraan deel te nemen.
En dan, in het midden, de pijprokende oudere man met de hoge hoed. Bestudeert hij de passerende chaperonnes? Is dit een weduwnaar op zoek? Of toont deze figuur ons de laatste fase van het rentenierschap, waarin men niet meer hof maakt maar wacht tot het geluk komt aanschaatsen in de persoon van een rijke weduwe?
Hier draait alles om. De prent toont niet zomaar een levenscyclus. Hij gebruikt de levenstrap-traditie om iets specifiekers te demonstreren — het traject van klassevorming. Volwassen worden is: uit het volksvermaak treden. Het eindpunt van de cyclus is niet de dood, maar de arrivé die op het ijs staat zonder schaatsen.
Dat is precies een omkering van het pleidooi uit 1770 van Berkhey. Hij beklaagde zich erover dat volwassenheid niet langer participatie betekende; En dat is precies wat deze prent uit 1810 toont, volwassenheid als terugtrekking. Wat Berkley betreurt, presenteert de prent als noodzakelijke gang der dingen.
Daarom is de sfeer zo bleek en vreugdeloos. Het schaatsfestijn is decor geworden, geen handeling. De drager van het beeld is niet meer het ijs als gemeenschappelijke grond, maar het ijs als toneel waarop de klassenscheiding zich voltrekt — en als natuurlijk wordt voorgesteld. Uit het kind ontstaat uiteindelijk een welvoldane burger, maar eerst moet hij van de schaats en dan van het ijs af.
Naschrift:
Misschien zit er ook in dit verhaal een moraal verborgen, want het is een interessante denkoefening de pruikentijd te vergelijken met onze tijd. Niet zo lang geleden constateerde het Centraal Bureau voor de Statistiek dat rijke Nederlanders van alle landgenoten momenteel het meest in een eigen bubbel leven. Volgens CBS-onderzoeker Tanja Traag creëert dit fenomeen polarisatie. En zoals in de 18e eeuw het Frans het Nederlands verdrong, zien we nu het Engels steeds dominanter worden — kijk maar naar de universiteiten, waar het Nederlands uit de mode raakt.
