Ik heb de man nooit ontmoet en ken hem niet persoonlijk. Maar één ding weet ik absoluut zeker, kijkend naar zijn levensloop en zijn enorme productie: in onze tijd zou de maker van dit schilderij, Adriaan Christiaan Willem Terhell (1863-1949), ADHD-medicatie hebben gehad. Hij zou voortdurend methylfenidaat, dexamfetamine of atomoxetine hebben moeten slikken om de storm in zijn hoofd te bedaren.
Ik ben oprecht blij dat de ADHD-diagnose destijds nog niet bestond. Anders had deze getalenteerde man nooit die enorme hoeveelheid prachtige werken kunnen maken. Zijn zogenaamde ‘stoornis’ was in feite zijn grootste kracht.
Ondanks zijn rusteloosheid was Terhell een meester in de hyperfocus. Dat bewijst zijn aanstelling bij de Hoge Raad van Adel in 1899. Jarenlang dwong hij zijn aandacht in de uiterst stringente basisregels van de heraldiek. Hij schilderde familiewapens met een precisie die geen enkele trilling duldde; elk lijntje en elk symbool moest juridisch en historisch onberispelijk zijn.
Het was monnikenwerk, uitgevoerd met de fijnste penselen en kostbare pigmenten. Maar zodra hij de muren van de Raad verliet, moest die opgekropte energie eruit. Dan veranderde de gedisciplineerde wapenschilder in een explosieve maker van gouaches, tekeningen, aquarellen en olieverfschilderijen. Die spanning tussen orde en uitbarsting tekende zijn hele leven.
Hij was een ‘rusteloos type’ dat nooit lang op één plek kon blijven. Zijn leven was een voortdurende reis door Nederland: van Venlo naar Bussum en Den Haag, om op latere leeftijd via Bennekom, Denekamp, Enschede en Diepenheim uiteindelijk in Beverwijk te eindigen. Ook in zijn privéleven liet hij sporen van die rusteloosheid na: zijn eerste huwelijk, in 1887 gesloten met Sophia Margaretha Doeleman, strandde op een scheiding in 1898. Nog datzelfde jaar hertrouwde hij met Magdalena Mes — waarna hij een jaar later zijn vaste aanstelling bij de Hoge Raad verwierf.
Zijn commerciële instinct was even scherp als zijn penseel. Voordat die aanstelling kwam, stond hij al in het Haagse adresboek van 1886-1887 ingeschreven als zowel schilder als kunsthandelaar, op de Sumastraat. Hij begreep de markt van binnenuit. In 1887 schreef Het Vaderland over zijn werk bij de renovatie van het Scheveningsch Badhuis dat “de heer A. Terhell, een jeugdig Haagsch artist die ongetwijfeld een schoone toekomst heeft”, de zee- en strandtaferelen met bijzondere finesse had aangepast aan de nieuwe omgeving.
Omdat deze hyperactieve schilder de markt niet wilde overspoelen met ‘Terhells’, maar zijn scheppingsdrang niet kón stoppen, signeerde hij zijn werk wijselijk onder een batterij aan namen. Het was alsof één identiteit te klein was voor alles wat hij wilde maken. Zo werd hij:
- J. le Blanc (of Jean le Blanc) voor dromerige, lichtvoetige aquarellen;
- C. de Zeeuw wanneer hij de woeste kracht van de zee en de tjalken op het IJsselmeer wilde weergeven;
- Charles Petit voor zijn sfeervolle, bijna nostalgische stadsgezichten;
- Jacoby als hij landschappen schilderde.
Zijn oeuvre van stillevens, landschappen en riviergezichten is inmiddels over de hele wereld verspreid; vooral Amerikanen schijnen dol te zijn op de Hollandse luchten die hij met zo’n enorme vaart op het doek zette.
Als we Adriaan Terhell ‘getemd’ hadden met de medicatie van nu, hadden we misschien een rustigere ambtenaar gehad, maar de wereld was een schatkist aan kleur en beweging armer geweest. Zijn rusteloosheid was geen handicap, maar zijn motor. Zijn hyperactiviteit was geen stoornis, maar zijn motor. We kijken dus niet naar het werk van een patiënt, maar naar de nalatenschap van een man die simpelweg te veel zag om in één leven — of onder één naam — weg te stoppen.
