
Jacques van Eck? De schilder is voor mij een grote onbekende, maar ik val gelijk voor zijn schilderijtje als dat aangeboden wordt op Marktplaats. Op het eerste gezicht lijkt het een beetje naïef geschilderd, maar als je er goed naar kijkt, zie je hoe kunstig de huizen aan weerszijden van de sloot en ook de mensen op het ijs zijn weergegeven. Maar vooral het fraaie spel tussen licht en donker laat zien dat hier een zeer vaardige schildershand aan het werk is geweest.
De verkoper weet helaas weinig te vertellen over de schilder: “Ik zal het aan mijn zus vragen, want het komt uit een erfenis”, belooft hij mij per mail.
Kennelijk woont die zus aan de andere kant van de wereld, want ik wacht inmiddels al wekenlang op een antwoord. Vooruitlopend op wat ik via deze route misschien een keer aan de weet ga komen, ben ikzelf alvast zelf op zoek gegaan naar informatie over de schilder.
Al snel ontdek ik dat er een bekende kunsthandel is die zijn schilderijen verkoopt en die dus kennelijk hoog aanslaat. En ik lees dat de schilder lid is (of was?) van de Kunstkring Henri Jonas in het Zuid-Limburgse Valkenburg.
Via die aanknopingspunten achterhaal ik de volgende informatie: eigenlijk was Jacques van Eck (1939) van jongs af van plan schilder of edelsmid te worden. Om die reden ging hij na zijn middelbare school naar de Kunstacademie in Arnhem. Was het omdat hij geen brood zag in het kunstenaarsbestaan? Hoe dan ook, na afronding van zijn opleiding besloot hij om op de Amsterdamse HTS een studie Mechanische Technologie te volgen. Iets heel anders dus, en dat veranderde zijn levenspad ingrijpend, want hij toog bij techgigant IBM aan het werk. Pas 39 jaar later, na zijn pensionering dus, kon hij zich eindelijk volledig wijden aan zijn grootste passie: het maken van schilderijen.
Zelf beweert hij dat de Romantische School uit de 19e eeuw hem het meeste inspireerde, vooral de werken van B.C. Koekkoek en Schelfhout. En hij zegt ook gecharmeerd te zijn van de schilderijen van de impressionisten van de Haagse School, onder wie de gebroeders Maris, Van Borselen en Louis Apol. Maar wie zijn werk nauwkeurig bestudeert, ontdekt dat zijn wortels dieper reiken — namelijk tot diep in de 17e eeuw.
Want Van Eck is eigenlijk een soort tijdreiziger met een penseel. De werkelijke ‘bouwtekening’ van zijn winterlandschappen stamt niet uit de 19e, maar uit de 17e eeuw: die van de Haarlemse schilder Nicolaes Molenaer (1628–1676), ook wel Klaes of Claes genoemd. Molenaer schilderde merkwaardige winterlandschappen waarop we, vaak onder een donkere, dreigende hemel, taferelen met schaatsers en werkvolk kunnen zien. Het contrast tussen licht en donker groot op zijn werken, waardoor een ietwat onheilspellende atmosfeer ontstaat. Als je een schilderij van Van Eck naast een werk van Molenaer legt, is de verwantschap treffend. Van Eck plaatst vaak een groot, donker blok bebouwing aan de zijkant, exact zoals Molenaer dat deed. Op die manier wordt je blik gedwongen over het ijs naar de verre horizon te glijden. De lage horizon laat de zware, grijze wolkenlucht dominant zijn in het schilderij, waardoor het die typische, weidse Hollandse sfeer krijgt die Molenaer zo goed beheerste. Ook het zogenaamde ‘lichtplan’ — de verdeling in een donkere, gedetailleerde helft en een lichtere, open zijde — heeft Van Eck direct van de 17e-eeuwer geërfd.
Molenaer past op zijn beurt ook in een schilderstraditie. Hij werd sterk beïnvloed door illustere voorgangers, onder wie Jan van Goyen (1596–1656) en later ook door zijn Haarlemse stadsgenoten Jacob van Ruisdael (1628–1682), Van Ostade (1621–1649) en Esaias van de Velde (1587–1630). Het waren met name deze Haarlemse schilders die een sleutelrol speelden bij het ontwikkelen van de zeer natuurgetrouwe winterlandschappen in de Hollandse schilderkunst, waarbij de winterse schoonheid van de eigen omgeving als uitgangspunt diende. Van Eck staat daarmee in een traditie die meer dan vier eeuwen geleden in Haarlem, de broedplaats van het genre, ontstond.
Van Eck is geen slaafse kopiist. Zodra de Molenaer-basis is aangebracht, haalt hij een 19e eeuwse romantische saus uit de kast. Waar Molenaer koos voor een gelijkmatig, grijs en soms ruw licht, voegt Van Eck dramatiek en warmte toe. Kijk naar hoe het licht op de gevels van de huisjes valt en de witte sneeuwaccenten op de daken doet oplichten: dat is pure 19e-eeuwse romantiek, het mooier maken dan het in werkelijkheid waarschijnlijk was. De figuurtjes op het ijs zijn bij Van Eck geen zwoegende werkers of een groepje mensen bij een herberg met paarden en karren, zoals bij Molenaer, maar schaatsers die plezier maken — iets charmanter geschilderd dan de hoekige figuren uit de Gouden Eeuw. Het resultaat is een beeld van de winter waar we stiekem allemaal van dromen, een nostalgisch ideaalbeeld dat aanvoelt als een vertrouwde herinnering aan een tijd die nooit precies zo heeft bestaan, maar die we direct herkennen als echt ‘Hollands’.
Misschien oogt het geheel ietwat naïef, maar dat is gezichtsbedrog, Want ronduit knap, is de ambachtelijke manier waarop Van Eck zijn schilderijen maakt. Hij negeert de moderne ‘snelle’ methoden en dwingt zichzelf tot het trage tempo van de oude meesters. Zo schildert hij vaak op houten panelen in plaats van modern linnen of katoen, omdat de gladde, harde ondergrond veel fijnere details toelaat en de penseelstreken minder zichtbaar maakt. Daardoor krijgt het oppervlak die emaille-achtige glans krijgt die we kennen van de oude meesters. Hij begint nooit met schilderen op een wit vlak, maar brengt eerst een dunne, transparante laag warme aardetint aan — een zogenaamde imprimatura — waardoor de kleuren die er later overheen komen de tonale eenheid vertonen die zo typerend is voor de 17e-eeuwse schilderkunst. Vervolgens werkt hij laag over laag met flinterdunne, transparante olieverflagen, het zogenaamde glaceren, waarbij elke laag eerst goed moet drogen voor de volgende erop kan. Dit langzame proces geeft de donkere partijen van de huizen en de diepte van het ijs een enorme kleurrijkdom, alsof het licht letterlijk in het schilderij valt in plaats van er bovenop te liggen. De bewolkte lucht, ten slotte, is geschilderd met een nat-in-nat techniek waarbij de verschillende grijstinten in elkaar overlopen terwijl de verf nog nat is — precies zoals Molenaer dat ruim drie eeuwen geleden al deed.
17e Eeuwse techniek, 19e eeuwse Romantiek. Van Eck mengt niet alleen verf, maar ook tijden door elkaar. En: hij neemt daarbij de tijd.
Toch maakt Van Eck op zijn schilderij één onmiskenbaar 20e-eeuws foutje, iets wat zijn voorgangers beslist anders gedaan zouden hebben. Op het schilderij toont Van Eck ons talrijke mensen die zich goed lijken te vermaken, ondanks de dreigende wolkenlucht. Het schilderij oogt daardoor vrolijk en optimistisch. Maar in vorige eeuwen zou dit werk een allesbehalve vrolijke indruk op de toeschouwer maken, vanwege een luttel detail: uit de schoorstenen van Van Eck komt geen rook. Vroeger vond men dat een alarmerend signaal. De boodschap was immers: waar geen rook is, is geen vuur. Kortom, hier wordt bittere armoede geleden. Van Eck, kind van de welvarende 20e eeuw, schildert zijn schoorstenen leeg zonder bij die boodschap stil te staan — en verandert zo onbedoeld een oud teken van ellende waar hij juist een onbezorgde winters idylle wil afbeelden.
Naschrift:
Hieronder een werk van de Haarlemse schilder Nicolaes Molenaer.
