Het kon vriezen en het kon dooien. De weersomstandigheden waren ronduit grillig toen Charles Rochussen op een maartse ochtend van het jaar 1855 zijn atelier aan het Amsterdamse Rokin verliet. Achter de gesloten deur liet hij de geur van terpentijn, de vette, ietwat zoete lucht van lijnolie, de aardse tonen van zijn pigmenten en de meer subtiele, natuurlijke geur van het hout van zijn schildersezel achter zich. De vertrouwde omgeving van zijn atelier maakte plaats voor een missie die allesbehalve comfortabel was. Normaal gesproken schilderde hij in zijn werkplaats romantische, behaaglijke winterlandschappen, historische taferelen of vrolijke schaatsers, maar nu wachtte hem de rauwe werkelijkheid van een nationale catastrofe.
Want een gigantische overstroming had dijken langs de Rijn en Maas weggeslagen. Niet de vrieskou van Koning Winter, maar juist de verraderlijke dooi had de dijken in Brabant, Utrecht en Gelderland doen bezwijken onder de druk van opgestuwd rivierwater en enorme ijsschotsen. Boerderijen, schuren, huizen, mensen en vee waren weggespoeld.
Vanuit de diepgewortelde Nederlandse traditie van goedgeefsheid bij calamiteiten, mobiliseerde de befaamde Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae haar leden. De aangesloten kunstenaars besloten de pen en het penseel te hanteren als instrumenten voor liefdadigheid. Charles Rochussen (1814-1894), maar ook collega-schilders als Hendrik Albert van Trigt, Mari ten Kate en Alexander Ver Huell, gingen nu op pad als illustrator en verslaggever van de catastrofe. Met de opbrengst van hun werk wilden zij een bijdrage leveren aan de rampenbestrijding, aan het goede doel.
Zijn reis naar het rampgebied in Gelderland begon comfortabel genoeg: de welgestelde Rochussen kocht uiteraard een eerste klas kaartje en vertrok met de trein van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij (NRS) richting Utrecht. De precieze naam van de locomotief die Charles en zijn medepassagiers vervoerde is niet bekend. Wel weten we dat de treinen destijds werden aangedreven door kolengestookte stoomlocomotieven, die fantasierijk vernoemd waren naar vulkanen zoals de Etna, Vesuvius, Hekla of Stromboli. Terwijl hij zich genoeglijk installeerde, had Rochussen op dat moment geen weet van een merkwaardige speling van het lot: bijna 30 jaar later later zou hij de rampzalige gevolgen van een andere natuurramp documenteren. Die van de uitbarsting van de Krakatau. Maar in het het hier en nu van 27 maart 1855 lag de ramp met die Indische vulkaan nog in het verschiet, veilig en ver weg, zowel in tijd als in ruimte.
Het akelige weer was buitengesloten. Binnenin de gesloten coupé hing een mengeling van de geur van natte jassen, gestoffeerde banken en leer, maar zo af en toe ving hij ook een vleugje op van de penetrante geur van steenkoolrook en smeerolie, die door de kieren van het raam naar binnen sloop. Rochussen had eerst zijn koffer met warme kleding en tekengerei in het bagagerek gedeponeerd, zat nu en sloeg zijn krant open om de verslaglegging vanuit het rampgebied tot zich te nemen. De Nederlandsche Rhijn Spoorwegmaatschappij was zo attent geweest de coupe te voorzien van leeslampjes, waardoor hij in alle rust de nieuwsberichten kon gaan lezen. De voetenwarmers, voor aanvang van de reis door stationspersoneel in vaten met kokend water verwarmd en in de coupé geplaatst, verhoogden het comfort.
Halverwege zijn reis moest hij overstappen in Utrecht. Daar stond een andere trein klaar om hem naar Arnhem te brengen. Gaandeweg naderde hij nu het rampgebied.
Als je naar buiten keek was het zichtbaar. Vlakbij Arnhem en in de onmiddellijke nabijheid van de Gelderse rivieren, veranderde het landschap en de aard van zijn reis drastisch. Bij het station speelden zich chaotische taferelen af, want de stad was een waar toevluchtsoord van slachtoffers van de waterramp. En overal waren waterkeringen opgericht in een poging de stad te vrijwaren van het hoge water. Met veel moeite lukte het Rochussen een voerman te vinden die hem naar de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal wilde brengen. Nu was hij dan eindelijk aangekomen in de gebieden waar de ramp nog in volle hevigheid woedde. Wegen waren onbruikbaar, en het landschap leek meer en meer op een woeste, onvoorspelbare binnenzee. Hoe ruikt menselijk en dierlijke ontreddering? De lucht hier was gevuld met de rauwe, indringende stank van stilstaand, ijskoud rivierwater, modder, en ontbindend organisch materiaal. De voerman kon en durfde op een gegeven moment absoluut niet verder.
Gelukkig mocht Rochussen mee met reddingswerkers. Laverend tussen de drijvende ijsschotsen, die elk moment het vaartuig konden doorboren of doen kapseizen, bewogen ze zich per roeiboot voort door het ijskoude water. Vanaf nu deelde hij de angsten van de redders en de overlevenden die zij onderweg oppikten. Met hen trotseerde hij het risico van onderkoeling, instortende gebouwen en de algehele chaos van het overstroomde gebied. Want koste wat het kost wilde hij de rauwe werkelijkheid van het menselijk leed in dorpen als Dreumel en Lith vastleggen. Vlakbij Lith ging hij aan land waar Rochussen aan de buitendijkse zijde een schets van de gevolgen van de dijkdoorbraak maakte. Op de ets, die hij later van deze werktekening vervaardigde, zien we het overstroomde landschap met op de achtergrond zwaar beschadigde huizen. Sommige zijn gedeeltelijk ingestort. Op de voorgrond, op een restant van de dijk, wacht een vrouw met haar kind op een roeibootje. In een andere boot, die al in het water ligt, worden mensen geëvacueerd.

