

Sommige schilderijen trotseren de eeuwen en blijven, lang na de dood van hun schepper, trouw het verhaal uitdragen dat de kunstenaar ooit met penseel wilde uitbeelden. Zo leeft menig geesteskind van een schilder een hele of halve eeuwigheid voort.
Maar de tijd kan ook genadeloos hard zijn. Er zijn heel wat bossen, parken, gebouwen en stadsgezichten, die weliswaar op schilderijen staan afgebeeld, maar die de tand des tijds niet hebben doorstaan. Die van de aardbodem zijn verdwenen. Waardoor niemand meer weet wat de kunstenaar nu precies heeft geschilderd.
Het gebeurt ook wel eens dat een schilderij zo vaak van eigenaar wisselt, dat daardoor het verhaal erachter helemaal vergeten wordt. Dan zien we weliswaar nog steeds de verf en vormen, maar de betekenis ervan is teloor gegaan. En zonder die betekenis, zonder de context van plaats en maker, zonder de historische verankering, wordt een kunstwerk ‘waardeloos’ in de meest letterlijke zin van het woord. Een anoniem werkje, een winkeldochter die niemand wil hebben omdat niemand meer weet wat het voorstelt of wie het maakte. De waarde verdwijnt samen met de kennis.
Onbekend maakt onbemind – dat geldt helaas niet alleen voor kunstwerken. Ook mensen zonder verhaal, zonder context, worden tot nummers. In verpleeghuizen lopen ze rond, die mensen waarvan menigeen niet meer weet wie ze waren, wat ze deden, wat ze betekenden. Hun levensverhaal vergeten, hun identiteit verdwenen. Ze zijn er weliswaar nog, maar hun betekenis is weg.
Armoede is niet alleen een gebrek aan geld, maar ook gebrek aan een verhaal.
Voor kunst geldt hetzelfde. Maar soms, heel soms, wordt een oud verhaal opnieuw ontdekt, waardoor een kunstwerk zijn zeggingskracht terugkrijgt. En we zicht krijgen op de werkelijke waarde. En ons daardoor verrijkt voelen.
* * *
Beide schilderijtjes zijn, wat je noemt, ‘winkeldochters’. Onverkoopbaar omdat de maker ervan onbekend is en niemand de afbeeldingen thuis kan brengen. Dus koop ik ze voor een habbekrats. Ze vormen een ‘pendant’, een duo dus: het ene schilderijtje beeldt een winters tafereel uit, het andere toont een zomers schouwspel. Het wintergezicht is zo universeel dat het overal en nergens kan zijn, het tweede werkje toont echter details die verraden dat de schilder een specifieke plek, een stad zo te zien, afbeeldt.
Hoe onttrek je iets aan de anonimiteit? Je kijkt goed naar wat je ziet en probeert het een plaats te geven. Letterlijk dus, vraag je je af: welke stad wordt hier weergegeven?
Het lijkt onbegonnen werk dit uit te zoeken. Aanvankelijk bekijk ik, op internet, nog hoopvol talrijke afbeeldingen van stadspoorten, want daar lijkt het gebouw in het midden van het zomerse stadsgezicht het meeste op. Maar uiteindelijk blijkt het zoeken naar een speld in een hooiberg en na verloop van tijd geef ik de moed op.
Het is wachten op een moment in de tijd, waarop de oplossing zich als vanzelf aandient. Want als je ’toeval’ de tijd geeft, zelf bij de tijd blijft en je ogen de kost geeft, kan ’toeval’ je uiteindelijk niet ontgaan.
Zo geschiedt het dat ik onlangs een kunstboek doorblader, dat ik via de plaatselijke bibliotheek heb geleend. Het heet ‘Dromen van Holland’ en zit boordevol mooie afbeeldingen van schilderijen en tekeningen, die ooit door Engelse, Duitse en Franse schilders zijn gemaakt. Van kunstenaars die ons land in de afgelopen eeuwen hebben bezocht. Het is altijd leuk om door de ogen van een buitenstaander naar jezelf, je eigen land te kijken.
En ja hoor, een van de getoonde werkjes, een schets van de Franse kunstenaar Cassas, lijkt zowaar op mijn stadsgezicht. Ik zie een poortgebouw in Rotterdam met zuilen, een molen en daarachter nog een hangbrug. Zijn tafereel vertoont veel overeenkomsten met mijn schilderij, zij het dat de molen en de brug ietsje anders zijn afgebeeld. De mijne staan namelijk niet links van de poort, zoals op zijn schets, maar rechts.
In het boek lees ik dat de stadspoort op de tekening van Cassas ‘De witte poort’ genoemd wordt en de molen daarachter ‘molen de Pelicaan’. Ik stuur nu een afbeelding van mijn schilderij naar het Rotterdamse stadsarchief met de vraag of hierop inderdaad beide gebouwen zichtbaar zijn.
Ik doe dit soort verzoeken wel vaker. Zoals een aantal jaren geleden bij het gerenommeerde Rijksmuseum in Amsterdam. Je krijgt dan direct een automatisch antwoord met de belofte dat er spoedig op je informatie-aanvraag gereageerd zal worden. Maar na al die jaren wacht ik nog steeds op het beloofde antwoord. Stadsarchivaris Mark van der Lee van het Rotterdamse stadsarchief is van een ander hout gesneden. Hij doet zijn werk.
Mark reageert binnen een paar uur op mijn verzoek:
“Ik heb uw vraag neergelegd bij een collega die veel af weet van oud Rotterdam, en hij wist het volgende te vertellen: het schilderij betreft de Oude Haringvliet te Rotterdam. Zowel de Engelse ‘Episcopaalse Kerk’ en de ‘Roode Leeuw molen’ zijn zichtbaar. Mijn collega wist hier ook nog bij te vermelden dat de toren van de kerk is verdwenen door een blikseminslag in 1865. Uw schilderij toont dus een beeld van vóór die tijd.”
Niks ‘molen de Pelicaan’, niks ‘De witte poort’. Het toeval heeft me op een dwaalspoor gezet, maar merkwaardigerwijs ben ik juist daardoor stomtoevallig in aanraking gekomen met een van de weinige Nederlanders die precies weet welke plek op mijn schilderij staat afgebeeld.
Zodat er ineens een wereld voor me opengaat, want vanaf nu heb ik een kompas waarmee ik gericht kan zoeken. Ik begin gelijk. Via de website van het Rotterdamse stadsarchief stuit ik op andere prenten. En een van die afbeeldingen, gemaakt door behangselschilder en etser Leendert Brasser (1727-1793) lijkt sprekend op mijn zomers schilderij.
Mijn kunstwerk is dus vermoedelijk gebaseerd op deze prent, want de gelijkenissen zijn enorm. De bomen op beide afbeelding zijn precies even hoog en ook de voorbijvarende schepen in de haven vertonen grote gelijkenis. Zelfs de hond, die Brasser in 1762 op zijn ets heeft afgebeeld, zie ik ook bij mijn schilderij bij een boom snuffelen.
Maar er is meer. Op mijn schilderij valt een klein maar opmerkelijk detail op: hoog in een van de afgebeelde gevels, net zichtbaar tussen de architectuur, prijkt een rechthoekige gevelsteen in een opvallend blauw-groene tint. De schilder heeft dit element bewust gemarkeerd – het is te specifiek om decoratief bedoeld te zijn.
En inderdaad, uit de collectie van Museum Rotterdam blijkt dat er aan het Oude Haringvliet een gevelsteen bestond met de naam ‘De Blauwe Haring’. Vorm, kleur en positie komen overeen met wat het schilderij toont. Daardoor heeft het werk niet alleen een straat, maar bijna een huisnummer: het gaat om het huizencluster aan het Rotterdamse Haringvliet ter hoogte van de huidige nummers 50-56, met een sterke indicatie richting nummer 52.
Het kunstwerkje komt door al die ontdekkingen steeds meer tot leven, omdat ik inmiddels de nodige aanknopingspunten heb. Waar het eerst alleen maar verf en vormen waren zonder betekenis, krijgt het nu langzamerhand iets van zijn verhaal terug.
Ik verdiep me verder in het afgebeelde tafereel. En zo verneem ik dat het kerkgebouw, dat zo triomfantelijk in het midden van mijn schilderij prijkt, geen lang leven beschoren was. Klaarblijkelijk is het bouwwerk in 1708 op instabiele grond neergezet. Ondanks de 700 funderingspalen die deze kerk moesten ondersteunen, begint het bouwwerk na verloop van tijd te verzakken.
Het is de episcopale kerk, de bisschopskerk van de Engelse gemeenschap in Rotterdam. En ik al lezende wordt mij duidelijk dat er indertijd zo veel Britten in Rotterdam woonden, dat de havenstad ook wel ‘Klein Engeland’ genoemd werd. Dat heb ik nooit geweten. Zelfs Rotterdam krijgt, voor mij althans, meer kleur door deze speurtocht.
Over de lotgevallen van de kerk gesproken: die zijn tamelijk rampzalig. De episcopale kerk vervalt langzaam maar zeker en de Britse regering ziet zich genoodzaakt jarenlang financieel bij te springen om het gebouw letterlijk overeind te houden. In 1864 wordt de kerk tot overmaat van ramp door bliksem getroffen, waardoor het klokkentorentje bovenop het dak instort. Daarna valt er ook nog eens gestaag kalk van de muren. Uiteindelijk besluit men de kerk in 1914 af te breken. Het maakt plaats voor het in neogotische stijl gebouwde Ooglijdersgasthuis dat ook geen lang leven beschoren is. Amper 35 jaar later wordt dit fraaie bouwwerk vernietigd door het grote Duitse bombardement op Rotterdam van 1940.
Er rustte kennelijk geen zegen op deze plek, erger nog, het was een regelrechte onheilsplek.
Tragisch, maar desondanks maakt juist de vernietiging van de afgebeelde gebouwen het werk paradoxaal genoeg nog waardevoller – het blijkt zowaar een zeldzaam visueel document te zijn van een stukje verdwenen Rotterdam, een getuigenis van een deel van de stad dat niet meer bestaat.
Naschrift:
De schilderijtjes zijn hoogstwaarschijnlijk gebruikt als voorontwerp voor behangselschilderijen. Dat ze daadwerkelijk zijn uitgevoerd, is te zien aan het monogram waarmee de schilder het werk heeft gesigneerd: ‘RH. f P’. RH is dus de maker en de ‘f’ erachter staat voor ‘facit’, wat ‘gemaakt door’ betekent. Op het eind van het monogram staat een ‘P’, en die letter duidt op “Pinxit” (uitgevoerd). Deze kennis heb ik van dr. Richard Harmanni, de topexpert in ons land op het gebied van behangselschilderijen. Ik heb op een gegeven moment zijn hulp ingeroepen, maar hij heeft de naam van de maker van de werkjes helaas niet kunnen achterhalen. “Alles was vruchteloos. Wel frustrerend”, schreef hij mij.
Zonder de naam van de maker blijft een kunstwerk verstoken van een waardevolle cultuurhistorische betekenis. Onlangs heb ik de schilderijtjes uit hun lijst gehaald en de monogrammen, die onder de lijst verborgen zaten, nog eens grondig onder een loep bekeken. Wie, o wie, signeerde met R.H.? Als Dr. Harmanni, die een proefschrift over het onderwerp heeft geschreven, het niet weet, wie ben ik dan om het te achterhalen?
Dan ontdek ik dat het in de 18e eeuw niet ongebruikelijk was, dat met name leerling-kunstenaars monogrammeerden met eerst de achternaam en dan de voornaam. Deze constatering bracht me op het spoor van de mogelijke maker, degene die in aanmerking kwam om met ‘R.H.’ te signeren: Hendrik Roosing (1763-1826).
Hendrik Roosing, zo ontdekte ik, was geen baanbrekende schilder, geen beroemdheid maar een ambachtsman, zoals veel laat-18e eeuwse decoratie- en behangselschilders. Hij behoorde tot de groep professionele schilders die in opdracht werkten van welgestelde particuliere opdrachtgevers. En die zich toelegden op het ontwerpen en uitvoeren van geschilderde wanddecoraties, vaak afbeeldingen van de wisseling der seizoenen of van herkenbare, plaatsgebonden gezichten.
Juist vanwege het ambachtelijke karakter van hun werk, signeerden ze vaak met een monogram en niet met een volledige ‘kunsternaarsnaam’.
Hoe dan ook, omdat we weten dat het zomerse Rotterdamse stadsgezicht gebaseerd is op een prent van rond 1762, kunnen we het tweede schilderijtje, het wintergezicht, ongeveer in diezelfde tijd dateren. Dat maakt dit tweede werkje bijzonder. In de 18e eeuw werden namelijk weinig winterlandschappen geschilderd. Dit genre was in die periode van onze Vaderlandse geschiedenis, ook wel de ‘Pruikentijd’ genoemd, hopeloos uit de mode. Het werd door de regenteske elite, die zich volstrekt op het Franse hofleven oriënteerde, te volks gevonden.
Maar Rotterdam onderscheidde zich juist op dit punt van de Amsterdamse of Haagse ‘smaak’. Want Rotterdam was bovenal een werkstad, een havenstad. Hier leefde ijsvermaak nog volop onder arbeiders en de kleine burgerij – schaatsen, sleeën, kroegbezoek op het ijs. Wat bij de Amsterdamse elite en in Haagse hofkringen als ‘volks’ werd afgedaan, bleef in Rotterdam onderdeel van het ‘gewone’ stadsleven. De opdrachtgever van deze behangselschilderijen had kennelijk geen moeite met die volkse winter, zolang het maar ingekaderd werd in modieus, eigentijds classicisme. Want de omlijsting van beide schilderijen, het zomer- en wintergezicht, ademt wel de regenteske smaak van de elite van die tijd.
Beide taferelen zijn opgesmukt met tierlantijnen en mythologische voorstellingen. Daardoor combineren ze het volkse en het elitaire op bijzondere wijze. Een grappig detail: de mythologische figuren (de twee gezichten onderaan) beelden met hun gezichtsuitdrukkingen uit of ze het behaaglijk warm (de zomer) of ijskoud (de winter) hebben.
Het was een typisch Rotterdamse oplossing: de inhoud mocht volks zijn, zolang het kader maar deftig was.
Langzaam maar zeker krijgt een vergeten verhaal langzaam zijn context terug. Achter het anonieme monogram ‘R.H.’ verschuilt zich mogelijk ‘Hendrik Roosing’. Een onherkenbare stad wordt het Rotterdamse ‘Oude Haringvliet’. En er komt zelfs iets aan het licht over de inrichting van een weggebombardeerd huis.
Een ‘waardeloos’ schilderij krijgt zo zijn zeggingskracht – en zijn waarde – terug.
