Ver weg, in een dorp aan de voet van de Julische Alpen in het noorden van Slovenië, groeide een familie op waarvan de zonen allebei buitengewoon getalenteerd waren — maar op een manier die niet verder uit elkaar had kunnen liggen. De oudste, Maksim, werd hoogleraar, schilder én dichter. Een intellectuele reus die zijn leven wijdde aan het doordenken van kunst, wetenschap en het heelal. Zijn neef zou later over hem schrijven: “Misschien ben ik in dit overgrote heelal niets meer dan een minuscuul deeltje dat hoopt dat het niet in het niets zal opgaan.”
De jongste broer, Janez, ging schoenen maken.
Janez Sedej (1910–1985) werkte decennialang als schoenmaker in de fabriek Alpina in Žiri. Terwijl zijn broer colleges gaf en tentoonstellingen opende, naaide Janez zolen. Maar in zijn vrije tijd deed hij iets anders: hij kopieerde de werken van Corot, van Lorrain. De grote landschapmeesters, die hij stilletjes naschilderde aan de keukentafel, ver buiten het zicht van wie dan ook.
Het was Maksim die het zag. Die er op aandrong dat zijn jongere broer ophield met navolgen en zijn eigen pad zou kiezen. Schoenmaker, blijf bij je leest — maar dan anders. Janez luisterde. Na zijn pensionering pakte hij het penseel op, nu om zijn eigen werk te maken.
En hij schilderde. Steeds hetzelfde.
Het landschap voor zijn raam. De lage huizen van Dobračeva, de schuren, de hooizolders, de smalle wegen onder de sneeuw. De Poljanska dolina — de vallei die hij van kinds af aan kende. Elke dag opnieuw, in wit-groene variaties met een metaalblauwe lucht die iets dreigends had, iets dat zweefde tussen herinnering en hallucinatie.
Sloveense kunstcritici zochten lang naar een etiket. Naïef? Nee, daarvoor was hij te technisch doorwrocht, te bewust. Hij had zich immers de techniek van de grote Franse meesters eigen gemaakt. Critici kwamen uiteindelijk uit bij het magisch realisme, bij het surrealisme — maar ook die termen pasten niet helemaal. Zijn landschappen waren feitelijk, bijna documentair nauwkeurig: elke schuur op zijn plaats, elke boom van het sparrenbos precies geteld. En toch was er iets in het licht, in de zwaarte van de lucht boven die vertrouwde heuvels, dat de kijker niet losliet. “Een hallucinatie van een echt landschap”, schreef een criticus. “Een suggestie van onrust en angst”.
Op zijn schilderijen zien we geen mensen. Alleen voetstappen.
In 1960 toonde Janez Sedej zijn werk voor het eerst aan het publiek, in het Loški Museum in Škofja Loka. Hij was vijftig jaar oud. Een jaar later hing zijn werk in Bazel. Niet op een onbeduidende plek, niet in een bescheiden zaaltje. In het Gewerbmuseum, op een grote internationale tentoonstelling van bijzondere schilders — naast Henri Rousseau, naast de Kroatische Hlebinska School, naast namen die de kunstwereld al jaren kende. De schoenmaker uit het Sloveense bergdorp, die zijn hele leven hetzelfde uitzicht had geschilderd, stond ineens tussen de groten. Juist omdat hij steeds hetzelfde schilderde, steevast dat ene plekje op aarde — maar elke keer weer dieper en stiller, steeds verder van het anekdotische af — had zijn werk een fascinerende diepgang gekregen. Die internationaal gezien en erkend werd.
Uiteindelijk werd Janez begraven in het veld naast zijn huis. Op het vertrouwd veld waar hij al van kinds af aan op had uitgekeken.
Twee broers uit een bergdorpje. De intellectuele reus Maksim zocht het oneindige in de sterrenhemel, Janez zocht en vond het voor zijn eigen raam. Hij schilderde geen mensen op zijn kunstwerk. Maar de voetstappen in de sneeuw zijn onmiskenbaar van hem. Van de schoenmaker.

