Een prachtig wintergezicht bij ondergaande zon, geschilderd door Anton Karssen (1945–2019), met niet alleen op de voorgrond, maar ook op de achtergrond prachtige Anton Pieck-achtige taferelen. Het schilderij vertelt niet één, maar vele verhalen tegelijkertijd. We tellen in het totaal drie dartele hondjes, zien verderop sneeuwballen gooiende kinderen, in het midden van het schilderij een koek-en-zopietent waar juist iemand een stevige borrel achterover slaat, een jongen en een meisje die twee paarden liefdevol stro voeren. En al die taferelen spelen zich af in een decor van gebouwen uit lang vervlogen tijden. Vaag in de verte is een ingevroren zeilschip zichtbaar.
Het schilderij is één groot feest der herkenning. De ronde toren, de trapgevel, de ijsvlakte met de mensen die erop schaatsen, het zijn motieven die Karssen bewust heeft gekozen uit een repertoire dat hij tot in de vezels kende. Met dank aan zijn 19e eeuwse voorgangers, want Charles Leickert leverde de ijsvlakte en de stadswand, Koekkoek de architectuur, Schelfhout de atmosfeer. Maar de figuren zijn te gezellig voor deze schilders van det Romantische school. Leickert en Schelfhout plaatsten mensen klein en functioneel. Om een specifieke atmosfeer te nadrukken. Maar bij Karssen zijn de figuren niet dienstbaar aan het grote geheel. Het gaat niet om de stemming die ze creëren, ze vertellen verhalen. Dat is typisch Anton Pieck, die van het Hollandse winterlandschap een bewoonde sprookjeswereld maakte — warm, nostalgisch, vol kleine menselijke details. Karssen zat precies tussen die twee tradities in, en dat maakte hem commercieel sterk: hij sprak twee generaties kopers tegelijk aan.
Als je de biografie van Anton Karssen — zijn roepnaam was Ton — erop napluist, lees je dat hij al op jonge leeftijd zelf zijn eigen artistieke talent ontwikkelde. Hij wordt omschreven als een ware autodidact. Als een echte ‘selfmade man’ die, vanuit een sterke innerlijke motivatie, fraaie portretten, strand-, stads- en ijsgezichten maakte. Maar klopt dit beeld van de eenling, de ‘self made man’ wel? Of is dit een typisch 21ste-eeuwse manier van kijken naar kunstenaarschap — een overschatting van het individu, het ego? Een evolutiebioloog zou in ieder geval bezwaar maken tegen deze zienswijze. Die zou betogen dat het schildertalent van Anton overduidelijk in het DNA van zijn familie was opgeslagen.
Want een beroemde voorouder, de romantische schilder Kasparus Karsen (1810–1896), en zijn zoon Johann Eduard Karsen (1860–1941) gingen hem voor. De familietraditie gaat zelfs nog verder terug, want ook de oude Kasparus was, vroeg in de 19e eeuw, leerling van een andere schilder uit de talentvolle familie, zijn eigen oom George Pieter Westenberg (1791–1873), die op zijn beurt ook al een verdienstelijk schilder was.
Karssen was zich van die familielijn bewust — en hij was er eerlijk over. Zijn tijdgenoten omschrijven hem niet als origineel maar als kopiist: iemand die de stijlen van zijn voorgangers meesterlijk beheerste en reproduceerde. Dat klinkt kleinerend, maar het was een bewuste keuze en een reële vaardigheid. Kopiëren in de traditie van de grote meesters is van oudsher de manier waarop schilders hun vak leerden en hun markt bedienden.
Die marktgerichtheid had ook een internationale dimensie die pas na zijn dood volledig zichtbaar werd. Want naast zijn Hollandse winterlandschappen schilderde Karssen een parallel oeuvre van Parijse straatgezichten — nachtelijk verlichte boulevards, paarden en koetsen in de sneeuw, de Arc de Triomphe in de verte — helemaal in de stijl van de Franse schilder Édouard Cortès. Die werken signeerde hij niet als ‘A. Karssen’, maar als ‘René Rambert’: een Frans klinkende naam die hij bewust voor de Angelsaksische markt had geconstrueerd. Met zo’n naam verkoop je een schilderij van Parijs beter in Amerika dan met een typisch Hollandse naam. Cortès-achtige Parijse stadsgezichten — natte klinkers, gaslampen, flanerende figuren — waren en zijn internationaal zeer gewild. Karssen wist zijn werk te slijten aan verzamelaars in precies die landen waar ook Cortès populair was.
Dat Cortès voor Karssen geen willekeurige keuze was, bewijst zijn eigen archief. Toen, vlak na zijn dood, iemand in de zorgvuldig bijgehouden papieren van Karssen dook, ontdekte hij een complete handgeschreven lijst van schilders die hem geïnspireerd hadden in zijn werk:
“L. Apol, J.E.H. Akkeringa, Fl. Arntzenius, H. van de Sande Bakhuyzen, B.J. Blommers 2x, J.W. van Borselen, J. Bosboom, E. Boudin, G.H. Breitner 2x, E. Claus, E. Cortes 2x, O. Eerelman, A. Eversen 3x, P.J.C. Gabriel, Groninger ploeg, J. Hilverdink, B. de Hoog, A. Hulk, J.F. Hulk, I. Israels, J. Israels, W.G.F. Janssen, J.B. Jongkind, J.M.H. ten Kate, K. Karsen 2x, J.S.H. Kever, L.J. Kleijn, J.C.K. Klinkenberg, J.B. Klombeek, B.C. Koekkoek, H. Koekkoek 2x, J.H.B. Koekkoek, W. Koekkoek, F.M. Kruseman, Ch. Leickert 6x, L. Loir, W. Maris, J.H. van Mastenbroek 2x, H.W. Mesdag, Mirales, Munnings, Morgensterne Munthe, Musin, A. Neuhuys, C. Raaphorst, W. Roelofs 2x, H. Ronner-Knip, A. Schelfhout 4x, J.F.C. Scherrewitz, J. Sluijters, L. Soonius, C. Springer 2x, J.F. Spohler, J.J. en J.J.C. Spohler, J. van Strij 2x, J. Zoetelief Tromp, E. Verboeckhoven, A. Verhoesen, W. Verschuur, P.G. Vertin, C. Vreedenburgh, J. en J.H. Weissenbruch, A.J. van Wijngaerdt, H.J. Wolter.”
De opsomming leest als een DNA-code. Leickert staat er zes keer in, Schelfhout vier keer, zijn eigen voorvader Kasparus Karsen twee keer — en Cortès twee keer. De lijst is gemaakt door een kunstenaar die zich rekenschap geeft van zijn inspiratiebronnen. Die niet doet alsof hij zo nodig origineel wil lijken, anders dan anderen. Maar die zichzelf plaatst in een eeuwenoude traditie, tussen andere schilders met wie hij zich verwant voelde.
“Je kunt de wind niet veranderen, maar wel de stand van de zeilen,” was zijn lijfspreuk. En inderdaad, zo schilderde hij onder zijn eigen naam ‘Anton Karssen’ voor de nostalgische Nederlandse markt. En als ‘René Rambert’, in het kielzog van de in het francofiele Amerika populaire meester Edouard Cortès, neo-impressionistische Parijse taferelen. Als bijvangst.
