In één oogopslag is duidelijk dat dit geen Hollands winterlandschap kan zijn. De Kroaat Zeljko Seles (1954) heeft het geschilderd. Hij wordt tot een van de beste naïeve schilders van dit moment gerekend — en staat daarmee in een traditie die inmiddels een grote internationale allure heeft.
Seles maakte zijn eerste glasschilderingen al op de lagere school, onder leiding van tekenleraar Ante Peroković. Vanaf 1969 schilderde hij serieus, en in 1972, nog als gymnasiast, had hij zijn eerste solotentoonstelling. Hij maakte weliswaar naïeve kunst, maar was een academisch opgeleide schilder. Hij behoort tot de generatie die het museum in Hlebine, de bakermat van deze kunstvorm, beschrijft als schilders die uit herinnering werken, omdat ze zelf niet meer op het platteland wonen.
In het kleine Kroatische dorp Hlebine ontstaan, raakte de de naïeve kunst in de jaren zeventig mondiaal ingeburgerd. Tot in de woonkamers van Europa en Amerika toe. Duitse en Italiaanse toeristen kochten het in het zomerseizoen op grote schaal. En de communistische Joegoslavische overheid promootte het werk als de ‘ware volkskunst’.
Deze kunststroming ontstond inderdaad in de vorige eeuw in het Kroatische dorpje Hlebine, waar boeren zich in de wintermaanden binnenshuis toelegden op handwerken. Er was immers niets te doen op het land. De boeren hadden weinig scholing en zeker geen opleiding aan een kunstacademie gevolgd. In hun winterse boerderijen werd de wereldberoemde Kroatische naïeve kunst geboren.
De doorbraak kwam toen de schilder, graficus, illustrator, theaternormgever, kunstcriticus en hoogleraar Krsto Hegedušić (1901–1975) – een man van de academie, opgeleid in Zagreb en Parijs – verhuisde naar Hlebine, het dorp van zijn vader. Hegedušić was geen romanticus die het platteland van buitenaf bewonderde — hij kende het van binnenuit.
In de dorpswinkel zag hij tekeningen op pakpapier, gemaakt door een jongen van vijftien: Ivan Generalić. Hegedušić leerde hem en zijn dorpsgenoot Mraz tekenen, wees hun onderwerpen aan en moedigde het schilderen op glas aan.
Hij leerde ze de techniek van het omgekeerd schilderen op glas — wat later het handelsmerk zou worden van de Kroatische naïeve kunst. En hij deed meer dan techniek overdragen: hij geloofde in een eigen Kroatische beeldtaal, vrij van westerse academische tradities.
Zijn kunstenaarsgroep Zemlja — De Aarde — riep in haar manifest: “Wij verwerpen de academische opvatting van schilderkunst, wij verwerpen de conventionele opvatting van schoonheid.” Die groep werd in 1935 door de autoriteiten verboden wegens linkse sympathieën. Hegedušić belandde meerdere malen in de cel.
Wie vandaag een Hlebine-schilderij bekijkt, zoals de hier afgebeelde van Zeljko Seles, ziet een wereld van zachte kleuren: rode bossen in de herfst, witte dorpen in de sneeuw, een haan op het hek, kinderen op het ijs. Ze zijn liefdevol geschilderd, tot in het kleinste blad. Des te schrijnender is het verhaal over de regio waar deze kunstvorm opbloeide.
De eerste generatie kende geen idylle. Volgens het museum in Hlebine schilderden Generalić, Mraz en Mirko Virius in de jaren dertig realistisch, zonder idyllische elementen, en toonde Virius de ellendige positie van boeren die voor gerechtigheid vochten. Hun kunst ontstond onder de Joegoslavische dictatuur van 1929, in een streek waar de armoede toenam. Het waren schilderijen van zwoegende maaiers, belastinginners en begrafenisstoeten.
Toen kwam de oorlog, en die trof de groep in het hart. Op 15 april 1941, vijf dagen na het uitroepen van de Onafhankelijke Staat Kroatië, openden de fascistische ‘Ustaše’ in een failliete kunstmestfabriek drie kilometer buiten Koprivnica hun eerste kamp: Danica. Er zaten ruim vierduizend mensen gevangen, voor het overgrote deel Serviërs en Joden; vanaf het station van Koprivnica werden zij doorgevoerd naar de vernietigingskampen van Jadovno en verder. Ook Mraz werd in 1941 gearresteerd. Tijdens het transport naar Danica wist hij te ontsnappen; eind 1942 ging hij naar de partizanen, waar hij oorlogsgruwelen tekende voor de verzetspers, rauw en expressief.
Virius had minder geluk. Hij kwam uit het buurdorp Đelekovec en was pas in 1936 bij Generalić en Mraz gekomen; zijn hele oeuvre ontstond in vier jaar. Op 5 maart 1943 werden ongeveer dertig inwoners uit de streek opgepakt, sympathisanten van het verzet, onder wie de schilder. Via Danica en de Ustaša-gevangenis in Križevci belandde hij in het Duitse kamp Zemun bij Belgrado. Een medegevangene vertelde later dat hij daar, zwak en ziek, soms nog schilderde. Die tekeningen zijn verloren. Hoe en wanneer hij precies stierf, en waar hij begraven ligt, weet niemand.
Na de afschuwelijke oorlog werd dezelfde streek het decor van de lieflijkste kunst van Europa. Mraz keerde halverwege de jaren vijftig terug naar het alledaagse boerenleven en idyllische vlaktes. De internationale erkenning volgde na de Tweede Wereldoorlog. Met de Biënnale van Venetië van 1952 en tentoonstellingen in Brazilië en België betrad de Hlebine-school het wereldtoneel.
Die erkenning viel samen met een bredere naoorlogse behoefte. Europa zocht naar authenticiteit. Naïeve kunst was direct leesbaar, geworteld in herkenbare werelden: het dorp, de seizoenen, de droom. Precies wat vroeger als gebrek gold, de afwezigheid van academische vorming, werd nu als deugd gezien.
Er komt trouwens heel wat vakmanschap kijken bij het maken van naïeve kunst. De schilder gebruikt geen doek of paneel, maar glas. Achterop het glas ontstaat het schilderij. Met veel geduld en precisie worden eerst de kleinste details — en zelfs de handtekening — geschilderd, en dan pas de achtergrond. Heel anders dus dan bij een gewoon schilderij. Bovendien moeten naïeve schilders alles in spiegelbeeld weergeven.

