Rudolf Oldeman was geen ‘beroepsschilder’ in de gewone zin van het woord. Hij was bovenal dominee. In 1942 hing zijn werk in het Frans Halsmuseum, aangekondigd als dat van ‘Ds. R.H. Oldeman’. Vier jaar later stond diezelfde dominee voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, beschuldigd van het verraden van een verzetsman — terwijl er tegelijk mensen waren die verklaarden dat ze hun leven aan hem te danken hadden.
Zijn roerige levenspad is voor zwart-wit denkers onnavolgbaar. Zijn biografie toont aan aan dat er tussen ‘Goed’ en ‘Kwaad’ veel grijsgebieden schuilgaan.
Een predikantenfamilie
Rudolf Hendrik Oldeman werd op 28 maart 1901 geboren in Limmen, in een familie waarin het predikantschap van vader op zoon ging. Zijn grootvader, prof. dr. G. Oldeman, was hoogleraar in de theologie; zijn vader, dominee R.G.C. Oldeman, stond in de Beemster achter de kansel en overleed daar in 1913, toen Rudolf twaalf was. Zijn moeder verhuisde met de kinderen naar Breda.
Tot de familie behoorde ook ds. Gerrit Jan Willem Oldeman (1878–1949), remonstrants predikant in Delft en vermoedelijk een oom van Rudolf. Als voorzitter van de Algemene Vergadering van de Remonstrantse Broederschap sprak hij in het oorlogsjaar 1942 een moedige openingsrede uit met een nauwelijks verhulde verwijzing naar Cicero’s aanklacht tegen Catilina. Het SS-blad Storm reageerde fel; daarna liet hij zijn preken thuis eerst door zijn vrouw nalezen op ‘onvoorzichtige’ passages. Het laat zien in welk klimaat ook Rudolf zijn ambt uitoefende: elke zondag stond een predikant in het openbaar te spreken, en er werd geluisterd — niet alleen door de gemeente.
Van cadet tot theoloog en schilder
Terug naar de beginjaren. In Breda volgde Oldeman de HBS. Daarna koos hij voor het leger: eerst de Cadettenschool in Alkmaar, vervolgens de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Die loopbaan maakte hij niet af. Uit pacifistische overtuiging verliet hij de opleiding, deed staatsexamen en ging, helemaal lijn met de familietraditie, theologie studeren in Leiden.
In Leiden kreeg hij ook zijn eerste schilderlessen, bij Arend Jan van Driesten (1878–1969), leerling van Théophile de Bock en een van de grote namen van de Leidse kunstwereld, schatplichtig aan Jacob Maris en de Haagse School. Bewogen luchten, donkere silhouetten, een losse toets: wie Oldemans latere winterlandschappen naast het werk van Van Driesten legt, herkent de leerling Rudolf was bovendien actief lid van de kunstenaarsvereniging ‘De Kunst om de Kunst’. In Leiden studeerde ook Anke Stoker (1904–1990), die promoveerde in de klassieke letteren. Zij werd zijn vrouw; het echtpaar kreeg twee kinderen.
Een dominee onderweg
Na een half jaar als hulpprediker in Kampen werd Oldeman in augustus 1931 bevestigd als predikant in Broek in Waterland. Nadien had hij nogal veel andere standplaatsen. In 1933 ging hij naar Varsseveld, als voorganger van de Nederlandsche Protestantenbond, en van 1936 tot 1941 was hij vicevoorzitter van die bond. Daarna volgde Santpoort-Noord, in de gemeente Velsen, met een korte tussenstap als voorganger van de Vrijzinnig Hervormden in Haarlem. Toen in september 1939 de oorlog in Europa uitbrak, vroeg hij om terug te mogen naar Santpoort. Hij wilde, vertelde hij later, zijn gemeente in die omstandigheden liever niet verlaten. Daar bleef hij tijdens de hele bezetting.
Oldeman was geen dominee die zich tot de kansel beperkte. Hij bouwde in zijn gemeenten jeugdhuizen, richtte later de jeugdbeweging ‘De Vliegende Schotel’ op, organiseerde concerten en volledige uitvoeringen van de Matthäus-Passion. In januari 1940 deed hij in Santpoort het voorstel de Dorpskerk van gebrandschilderde ramen te voorzien. In mei van dat jaar verdween het plan in de la. Het zou pas na de oorlog daadwerkelijk uitgevoerd worden.
De schilder
Het Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie noemt hem schilder, aquarellist en tekenaar, werkzaam van 1916 tot zijn dood: hij schilderde stillevens, marines, landschappen. En vooral winterlandschappen. Het genre lag hem. Zijn ijs is geloofwaardig, met schaatssporen en spiegelingen op de juiste plek; zijn luchten zijn snel en met overtuiging gepenseeld; zijn architectuur heeft volume. Een terugkerend kleuraccent is blauw, dat hij als onderliggende kleur gebruikt — een vlag, een jas, een schaatser.
Zijn bekendste motief is de ronde toren van kasteel Wayenstein aan de Waal bij Herwijnen, een beeld dat via Charles Leickert de Hollandse wintertraditie was binnengekomen. Oldeman schilderde het meermaals, in verschillende stemmingen. Daarnaast maakte hij stillevens, waaronder een gedateerd ‘Schildergerei’ uit 1948: flessen, verftubes, een kurk. Een stil, bijna ingetogen werk.
Op 2 mei 1942 toonde het Frans Halsmuseum in Haarlem zijn schilderijen, die tot half mei te zien was. Dat zegt iets over de waardering die hij toen genoot.
Santpoort, 1940–1945
Over de oorlogsjaren is meer bekend dan over welke andere periode ook, en vrijwel alles komt uit het strafproces dat erop volgde. Wat daaruit naarvoren kwam, ook volgens de getuigen à charge, is dit: Oldeman hielp Joodse mensen onderduiken en zorgde voor valse of vervalste persoonsbewijzen en distributiebonkaarten.
Zijn persoonlijke leven liep in diezelfde jaren vast. Op 16 februari 1943 werd zijn huwelijk met Anke Stoker ontbonden; beiden woonden toen nog in Santpoort. Hij kon de alimentatie niet uit eigen middelen opbrengen. Geld liep in die jaren door zijn handen: voor de valse persoonsbewijzen werd betaald, volgens de aanklacht 750 tot 1000 gulden per stuk. Oldeman verklaarde dat hij alles in één pot deed, waaruit hij zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn onderduikers (die hij had opgenomen) bekostigde, en dat hij van hen zelf niets vroeg; alleen voor bijzondere diensten nam hij vrijwillig aangeboden geld aan. De getuigenverklaringen spraken dat op de hoofdpunten niet tegen. Maar ze lieten ook zien hoe rommelig het ging: iemand betaalde 1500 gulden voor twee persoonsbewijzen die nooit kwamen, omdat het geld al was doorgegeven aan een vrouw die intussen was gearresteerd; een ander betaalde 6000 gulden voor vijf bewijzen en kreeg er 4000 van terug.
Herman Rot
De zwaarste beschuldiging betrof de affaire ‘Herman Rot’ (1896–1945), houthandelaar uit Westzaan, later woonachtig in Haarlem. Rot was een man met twee gezichten — en dat is niet achteraf bedacht. Hij hielp Joden onderduiken, verborg wapens en werkte samen met de Knokploeg Haarlem. Tegelijk onderhield hij contacten met NSB’ers en met de Sicherheitsdienst, in het bijzonder met de SD-chef Bonnhagen, aan wie hij naar verluidt zo’n 30.000 gulden betaalde om namen van verraders te weten te komen die hij aan het verzet doorspeelde. Voor wie van buitenaf keek, was dat niet te onderscheiden van verraad.
Oldeman keek van buitenaf. Via een zestienjarige neef hoorde hij dat Rot jongens sabotagedaden liet plegen en wapens verstrekte. Hij wist van Rots contacten met de Sicherheitsdienst en vertrouwde hem niet. Daarop ging hij te rade bij een Duitser, Gerich, die de Ortsgruppenleiter van de NSDAP in het Haarlemse Kenaupark bleek te zijn. Volgens de aanklacht leidde dat in februari 1943 tot een aangifte bij de Sicherheitsdienst — tegen Rot, en volgens de krantenverslagen ook tegen ir. H. Smitt uit Santpoort.
Na de oorlog verklaarde Sicherheitsdienst-chef Bonnhagen dat hij inderdaad een anonieme, door een predikant ondertekende aanklacht tegen Rot had ontvangen, maar die had achtergehouden, omdat hij wist dat Rot ondergronds werk deed. Op 24 april 1945, twee weken voor de bevrijding, werd hij in zijn tuin aan de Linnaeusstraat in Haarlem doodgeschoten; zijn zoon Pieter was getuige. Ook H. Smitt uit Santpoort kwam in het voorjaar van 1945 gewelddadig om het leven.
Het proces
Na de bevrijding werd Oldeman gearresteerd. Hij zat een half jaar in voorlopige hechtenis en werd daarna onder huisarrest op vrije voeten gesteld. Op 11 januari 1946 begon de behandeling voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Er waren twee tenlasteleggingen: het verraad van Rot aan de Duitse Sicherheitsdienst, en het verkopen van valse persoonsbewijzen en bonkaarten aan Joodse onderduikers tegen een veelvoud van de inkoopprijs. De advocaat-fiscaal, mr. B.J. Besier, eiste zes jaar voor het eerste feit en een jaar voor het tweede, met ontzetting uit rechten, waaronder het recht een geestelijk ambt te bekleden.
Oldeman gaf toe dat hij met Gerich over Rot had gesproken, maar ontkende tot het einde een aangifte te hebben gedaan:
“Er is door mij nooit aangifte gedaan, ik heb nooit iets ondertekend en ik ben nooit in de Euterpestraat geweest.”
De Euterpestraat in Amsterdam was het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst. In het proces trokken de getuigen naar twee kanten. Een getuige Stomps verklaarde dat (de vermoorde) Rot hem zelf het protocol van het vermeende verraad had laten zien, met de woorden: “Ieder die weet wat Oldeman doet, laten wij maar onderduiken.” Rot wist dus van de aangifte — vermoedelijk via de Duitser Bonnhagen zelf. De voormalige organist J.P. Vincent verklaarde dat Oldeman tegen hem had gezegd: “Pieter, ik heb Rot moeten ophangen aan de hoogste boom.” Oldeman noemde dat ironie. Bonnhagen, die het meest over de zaak wist, verbleef in Duitsland; het Hof wilde hem horen en het onderzoek werd daarvoor heropend. De kranten merkten op dat de zaak verweven was met de echtscheidingsprocedure van Oldeman, wat de verhoudingen tussen betrokkenen er niet doorzichtiger op maakte.
Zijn raadsman, mr. Van den Hoeven, betoogde dat Oldemans handelen geen aanslag op de illegaliteit was geweest, maar op het misbruik ervan, en dat Rot de schijn sterk tegen had gehad. Hij vroeg vrijspraak. Het Hof oordeelde anders. Oldeman werd schuldig bevonden aan de indirecte dood van Herman Rot, door aangifte te doen bij een NSB’er en de Sicherheitsdienst, en aan het zich in bezettingstijd bevoordelen ten koste van Joodse landgenoten. Hij werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf.
De kerk volgde. Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland ontzette hem uit zijn ambt. Oldeman ging in beroep; een commissie van vijf, ingesteld door de Generale Synode, onderzocht de tuchtzaak opnieuw en handhaafde in februari 1947 de uitspraak. Zijn predikantschap leek voorbij.
Open vragen
Wie het dossier bestudeert, ziet een aantal vragen opdoemen die in 1946 opzij werden geschoven, maar die daarmee niet zijn verdwenen.
De eerste is de vraag naar vertrouwen. In het verzet was wantrouwen een levensvoorwaarde: wie onderduikers in huis had, kon één verkeerde contactpersoon fataal worden. De contacten van de in 1945 vermoorde Rot met de SD waren echt, en Oldeman wist ervan. Dat hij Rot wantrouwde, is begrijpelijk. Dat hij met dat wantrouwen naar een Duitse partijfunctionaris ging, is de stap waarop de hele zaak scharniert. Wilde hij een dubbelspion ontmaskeren? Waarom hij dat deed — onwetendheid over wie Gerich was, naïviteit, angst, of iets anders — vertellen de bronnen niet. Hijzelf hield vol dat het bij een gesprek was gebleven.
De tweede is de vraag naar oorzaak. De aangifte van Oldeman dateerde volgens de aanklacht van februari 1943. De Sicherheitsdienst-medewerker die haar ontving, hield die aanklacht naar eigen zeggen achter. Rot werd ruim twee jaar later gedood, in de laatste weken van de bezetting. Wie hem doodschoot en waarom, wordt niet vastgesteld. Het Hof sprak daarom niet van moord of rechtstreeks verraad, maar van ‘indirecte’ dood. Hoe zwaar die keten van aangifte tot schot weegt, is precies wat het Hof moest beslissen — met de belangrijkste getuige over de grens.
De derde is de vraag naar geld. Valse persoonsbewijzen en onderduik kostten geld, en overal in het land werden daarvoor bedragen gevraagd en betaald. Waar kostendekking ophoudt en bevoordeling begint, is achteraf moeilijk vast te stellen, zeker in een administratie die er niet was en een privéleven dat op dat moment voor grote geldzorgen zorgde. Het Hof trok die grens. De getuigen bevestigden tegelijkertijd dat Oldeman zijn eigen onderduikers niets vroeg.
En ten slotte is er de context van de naoorlogse rechtspraak zelf. De Bijzondere Rechtspleging moest in korte tijd tienduizenden zaken afhandelen, in een land dat wilde afrekenen met zijn al dan niet vermeende verraders en meelopers. Dat zegt niets over de juistheid van dit ene vonnis, maar het is de omgeving waarin het werd gewezen. Herman Rot, op zijn beurt, verdient evenzeer recht te worden gedaan: hij was geen verrader, maar iemand die zich op een gevaarlijk grensgebied bewoog om anderen te beschermen, en die daarvoor met zijn leven betaalde.
Ramen van vrede
Midden in deze jaren ontstond het werk waarmee Oldeman het duidelijkst een spoor heeft nagelaten. In juni 1944 maakte hij een nieuw ontwerp voor vier ramen voor de Dorpskerk van Santpoort. De uitvoering lag bij de Haarlemse glazenier Nico Schrier (1900–1989), die tussen 1941 en 1959 acht ramen voor de kerk maakte. In december 1946 — enkele maanden na Oldemans veroordeling en afzetting — werden de eerste vier onthuld, aan de straatkant.
De vier ramen aan de straatkant zijn donker van toon en tonen de harde werkelijkheid: Onrecht, met de ruiters uit Openbaring 6; Dreiging, met de leerlingen in de storm; Oervloed, met de oceaan als beeld van de gemeenschap; en ten slotte Vrede!, waarin een engel neerdaalt tussen vredesduiven, de wapens als oud ijzer op de grond liggen en in een smidsvuur oorlogstuig tot landbouwgereedschap wordt omgesmeed. Gemeenteleden vonden destijds dat de vele kleuren de kerk te donker maakten.
De vier ramen aan de pleinkant, geplaatst in 1957–1959, hebben elk een licht centrum: Rust, met Christus als leraar (‘Komt herwaarts tot mij, gij allen die vermoeid en belast zijt’); Licht der wereld; Compassie, met de barmhartige Samaritaan omringd door brandweerlieden, het Rode Kruis, de mijnramp van Marcinelle en de watersnood van 1953; en Opstanding. Een tijdgenoot schreef dat de ramen ‘mede naar zijn artistieke inzichten’ werden ontworpen en vervaardigd; het iconografische concept is van Oldeman, de vertaling naar glas van Schrier, die een zelfstandig kunstenaar was. Twee laatste ramen aan de noordwand, naar ontwerp van Ger Lam, kwamen er in 2002 bij.
Gratie en een tweede leven
De wending kwam in het voorjaar van 1947. Bij het gratieverzoek zaten verklaringen van, “tal van personen die in de bezettingsjaren, dankzij hun getuigenis, aan ds. Oldeman het leven hebben te danken gehad.” Hij kreeg gratie en kwam vrij.
Ook als schilder trad hij weer naar buiten. In het voorjaar van 1951 exposeerde hij een dertigtal schilderijen bij kunsthandel Leffelaar aan de Grote Markt in Haarlem, tot 6 april, samen met gouaches van N. Touwen. Het waren vooral stillevens, en ze lieten een andere schilder zien dan die van de winterlandschappen: Oldeman zocht aansluiting bij het magisch realisme, met zijn zakelijke, scherp waargenomen weergave van elk detail. De recensent van de Nieuwe Haarlemsche Courant (30 maart 1951) was niet onverdeeld positief. Oldeman wilde volgens hem “doen denken aan die moderne schilderende boetepredikers”, maar miste daarvoor “de geestelijke spanningen van bezetenheid door een idee en hevig medelijden”. Op zijn gunstigst was hij “een fijnschilder van stillevens”. “De niet-verwende bezoeker zal evenwel aan de poging tot fijne stofuitdrukking zijn genoegen beleven”, oordeelde de recensent.Over zijn verleden zei de verslaggever niets.
Hij was een tijd plaatsvervangend predikant in Heemstede, en in 1953 volgde een aanstelling in Zandvoort, wijk Noord. Een gemeente beriep hem dus, zes jaar na zijn afzetting, opnieuw tot predikant.
De jaren in Zandvoort noemde hij later zijn mooiste. Hij was de drijvende kracht achter de bouw- en restauratiecommissie van de kerk, organiseerde feestavonden in Monopole voor het jeugd- en gemeentewerk, en liet opnieuw de Matthäus-Passion uitvoeren. In 1959 deden in zijn wijk 44 jongeren belijdenis. In 1964 vroeg hij vervroegd emeritaat aan, ‘om strikt persoonlijke redenen’; zijn gemeente liet hem node gaan.
Zijn laatste jaren woonde hij in Haarlem, waar hij bleef schilderen. Hij overleed op 6 september 1982, 81 jaar oud. De rouwadvertentie in Trouw noemde zijn volledige loopbaan en typeerde hem als “een begenadigd kunstschilder”, die meermaals in het Frans Halsmuseum had geëxposeerd. Over de affaire uit 1946 stond er niets in.
Tot slot
Wat overblijft is een oeuvre van winterlandschappen en stillevens dat verspreid is over particuliere collecties en veilingen tot in Israël toe, een reeks kerkramen in Santpoort, en een dossier dat zich niet laat samenvatten in één woord. Oldeman hielp mensen onderduiken en werd door een aantal van hen uit de gevangenis gehaald. Hij werd veroordeeld voor de indirecte dood van een man die zelf aan de goede kant stond, en die hij voor een verrader hield.
