Ik verzamel winterschilderijen. Jarenlang staarde ik me blind op het ijs, de besneeuwde daken, de luchten en de molens. Tot ik op een ochtend de vrouwen ging tellen. En wat grondiger ging bestuderen. Wat ik toen zag, vond ik best onthutsend.
Het kan vriezen of dooien, de wolkenhemels variëren met de dag, maar de vrouwen op de winterlandschappen zijn steevast de meest stabiele factor op het doek. En dat al eeuwenlang.
Ze staan. Bijna altijd. Vaak met een mand aan de arm, in een groepje bij de deur, of pratend bij de koek-en-zopietent. Soms dragen ze een takkenbos of houden ze een kind aan de hand. Hun haar is vrijwel altijd bedekt, hun gestalte gehuld in een rok (opmerkelijk vaak een rode) met daarboven een omslagdoek en een kap op het hoofd. Als ze zich over het ijs verplaatsen, zitten ze in een slee die een man voortduwt. En als ze schaatsen, dan nooit alleen: altijd naast of achter een man, soms met een dwarse schaatsstok aan hem verbonden. De mannen trekken, duwen, mennen en laden. Of schaatsen eenzaam onder het firmament. De vrouwen staan roerloos op de drempel, daar waar het huis ophoudt en het ijs begint.
Een randfiguur
Wie al die vrouwelijke figuren met elkaar vergelijkt, ziet dat de schilders een vaste grammatica volgen. Die geldt voor vier dingen: plaats, houding, attribuut en silhouet.
De plaats van de vrouw is veelal de rand. Ze staat bij de gevel, de oever, de brug of een tent. Op het open ijs in het midden van het doek, daar waar de lijnen van het landschap samenkomen, zien we de man.
De houding van de afgebeelde vrouwen is verticaal. De man wordt dynamisch geschilderd op de diagonaal: voorovergebogen in de schaatsslag, schuin tegen de duwslee, achterover leunend aan de teugel. De vrouw staat, zoals gezegd, rechtop en in rust.
Vaak draagt ze iets. Een mand, een takkenbos, een kind of emmer rusten op haar lichaam. Wat de man bij zich heeft, hanteert hij: de stok, de teugel, de duwstang, het geweer. Het voorwerp van de man verlengt zijn arm, dat van de vrouw belast haar.
Het silhouet van de vrouwen is gesloten. Rok, omslagdoek en kap maken van de vrouw een klokvorm waarin armen en benen verdwijnen. Dat heeft een schilderkunstig gevolg. Beweging op het ijs wordt geschilderd met benen: de gespreide stand, de afzet, de knik in de knie. Een figuur zonder zichtbare benen kan op het doek niet schaatsen. Ze kan alleen staan, of gedragen worden. Die klokvorm is bovendien snel gemaakt. Een paar vlekken verf en iedereen ziet een vrouw. Klaar.
Daaruit volgt de rest. Als de vrouw beweegt, is die beweging afgeleid: ze zit in een slee die een man duwt of ment, of ze schaatst aan zijn hand of aan zijn stok, een halve pas achter hem. Vrouwen staan in groepjes, naar elkaar toegekeerd. De eenzame en avontuurlijke schaatser is een man.
Met een takkenbos op haar rug
Eerst dacht ik dat het aan mijn verzameling lag: veel 19e-eeuws werk. Maar het patroon openbaart zich al bij het beroemde en baanbrekende 16e-eeuwse schilderij van Bruegel, bij zijn ‘Jagers in de sneeuw’ dus. Achter de terugkerende jagers staan twee vrouwen bij het vuur van de herberg, daarachter loopt een andere vrouw met een bos brandhout. Die vrouw met een takkenbos op haar rug, heeft eeuwigheidswaarde. Ze zal op vele schilderijen terugkeren. Zo zullen we haar bijvoorbeeld drie eeuwen later, bij de beroemde romanticus Schelfhout opnieuw aantreffen. Via prenten en navolgers reist ze vervolgens door het hele land, tot op de doeken van schilders wier namen niemand meer kent. Het is een geliefde bijfiguur die elke schilder, bekwaam of onbekwaam, in een paar penseelstreken neerzet.
Correspondeerde die weergave met de werkelijkheid? In januari 1809 reden op de Stadsgracht van Leeuwarden 64 ongehuwde vrouwen een wedstrijd. Velen waren die ochtend al vanuit hun Friese plattelandsdorp naar de stad geschaatst. Twee dagen lang streden ze in paren, ronde na ronde, voor een grote menigte. Om sneller te zijn, trokken ze hun mantels uit en reden ze in hemdsmouwen. De winnares, Houkje Gerrits Bouma uit Veenwouden, kreeg een gouden oorijzer. O ironie, om haar haarkap mee vast te zetten. Het haar te verbergen dus..
Ontblote armen
De kranten spraken er schande van. Een dichter schreef een lofdicht, maar verzweeg niet welke opwinding de blote armen bij hem opwekten. Juist dát was het probleem: niet dat vrouwen hard reden, maar dat ze zo werden gezien. In de decennia daarna verboden burgemeesters herhaaldelijk wedstrijden voor vrouwen. Hardrijden was iets voor mannen, en eventueel voor paarden.
Behalve een dichter was er ook een schilder die de wedstrijd op die ijskoude januaridag van 1809 vereeuwigde, Nicolaas Baur. Zijn doek breekt elke regel van de standaard oeuvre. Hij plaatst de vrouw in het midden van het ijs, ze is in volle vaart en ze heeft zowaar armen: Houkje Bouma komt met de handen omhoog over de finish. Op de voorgrond ligt de uitgetrokken kleding op het ijs, en links trekt een deelneemster haar mantel alweer aan.
Zoals het eigenlijk hoort op een ‘fatsoenlijk’ winterschilderij.

