Voor de Hollander was schaatsen over bevroren water lange tijd vanzelfsprekend — een kind leerde het bijna voordat het kon lopen, en niemand keek ervan op. Wat voor ons de gewoonste zaak van de wereld was, was juist voor vreemdelingen verbazingwekkend. Als wij door hun ogen naar onze ijscultuur kijken, kunnen ook wij een glimp van hun betovering opvangen.
De vroegste ‘verbazing’ die we kennen, is die van een Boheemse edelman. In 1465 trok baron Leo van Rožmitál met een klein gevolg door Europa. Twee reisgenoten — zijn schildknaap Schaseck en de Neurenberger Gabriel Tetzel — hielden alles bij wat ze zagen. Aan het schitterende hof van Filips de Goede in Vlaanderen woonden zij een schouwspel bij dat hun de adem benam: een tweegevecht, uitgevochten óp schaatsen. Voor de Bohemen, gewend aan een ander soort winter, was het iets ongehoords — geen sport, maar bijna een kunststuk van evenwicht en durf.
Wat menig buitenlander steeds weer opnieuw trof, was dat schaatsen hier niet zozeer vermaak was, maar een manier van leven. Over de bevroren grachten en vaarten verplaatste een heel volk zich met een snelheid die een paard amper kon evenaren. En anders dan elders deed alles en iedereen mee. Een Spaanse kapitein, Alonso Vázquez, tekende aan het einde van de 16e eeuw verbaasd op dat de Hollandse vrouwen voor de mannen niet onderdeden — behendig, zelfverzekerd, zonder te vallen. Op het ijs leek de gewone orde der dingen even opgeschort: rangen, standen en seksen schoven dooreen.
Eén ding trof de vreemdeling in het bijzonder: hier schaatsten de vrouwen mee. Waar men aan het Engelse en Franse hof vond dat een vrouw van stand zich niet zo onstuimig in het openbaar behoorde te bewegen — Engelse vrouwen kéken vooral toe, en aan het Franse hof kwam de schaats pas laat in de mode — daar gleden in Holland boerin en koopmansvrouw zij aan zij over het ijs. Al was ook dat niet onveranderlijk: in de 18e eeuw nam de Hollandse elite de Franse zeden over, en verdween de deftige vrouw van het ijs — overal behalve in Friesland.
Maar de verbazing kon ook in regelrechte angst omslaan. De scherpste illustratie daarvan dateert uit de eerste, bloedige jaren van de Tachtigjarige Oorlog. In december 1572 lag bij Amsterdam een Hollandse vloot vastgevroren in het ijs. Don Frederik, de zoon van Alva en kort tevoren de slachter van Naarden, stuurde een keurbende over het ijs om die schijnbaar weerloze schepen te bestormen. Maar de Hollanders waren voorbereid. Uit hun ijsvesting kwamen gewapende musketiers tevoorschijn die — of zij nu schaatsen droegen of ijzeren krammen, daarover verschillen de bronnen — over het bevroren water gleden met een snelheid die de Spanjaarden nog nooit hadden gezien. Zij vuurden, trokken zich buiten schot terug, en kwamen weer. De Spanjaarden, onwennig op het gladde oppervlak, lieten honderden doden achter.
De 19e-eeuwse historicus John Lothrop Motley, die de gebeurtenis optekende in The Rise of the Dutch Republic, voegde er een beeld aan toe dat misschien nog veelzeggender is dan de slag zelf. Terwijl het nabije Haarlem werd belegerd, werd de stad in het geheim bevoorraad door mannen, vrouwen en zelfs kinderen die op schaatsen ‘zo snel als de wind’ over het bevroren meer scheerden, met sleden vol proviand, in de korte donkere dagen en lange nachten van december. Het ijs was niet alleen een slagveld, het was ook een levenslijn. Volgens de overlevering zou Alva, diep onder de indruk, in Spanje duizenden paren schaatsen hebben laten maken om zijn troepen op het ijs een kans te geven. Dat verhaal moet men met een korreltje zout nemen — het leeft vooral voort in latere navertellingen — maar het tekent wel hoe groot de schok was.
Het is geen toeval dat juist mannen uit het zuiden zo van hun stuk raakten. Wie kwam uit een land waar water nooit bevroor, zag hier iets wat aan een mirakel grensde: mensen die liepen — nee, die vlógen — over het water. Een Marokkaanse gezant, die aan het begin van de 17e eeuw de jonge Republiek bezocht, behoorde tot de meest verbaasde toeschouwers. Het was bij uitstek de mediterrane blik die registreerde hoe vreemd dit alles was.
Ook de Italianen keken mee — en één van hen liet zwart op wit na hoe vreemd de Hollandse winter een zuiderling voorkwam. Guido Bentivoglio, pauselijk nuntius in Vlaanderen tussen 1607 en 1615 en latere kardinaal, beschreef in zijn veelgeprezen Relatione delle Provincie Unite (1629) een land waarvan de bewoners, zoals hij schreef, ‘als het ware omsloten door water’ leefden. Met talloze windmolens en kunstwerken hielden zij hun grond droog, en tóch — zo verbaasde hij zich — kwam ’s winters het grootste deel van Holland onder water te staan, ‘alsof het land dan door de zee werd verzwolgen’. Hij beschreef geen schaatsers, maar wél het toneel waarop zij gleden: een winterwereld die voor Italiaanse ogen een omgekeerde schepping leek, half land, half zee.
Een wonder voor velen, dat ook nog eens op reis ging. Toen het verbannen hof van de Engelse koning Karel II na jaren ballingschap in de Nederlanden terugkeerde naar Londen, nam het de schaats mee. Op 1 december 1662 zag de dagboekschrijver Samuel Pepys in St. James’s Park voor het eerst van zijn leven mensen glijden op hun ‘skeats’ — een, zo noteerde hij, ‘zeer fraaie kunst’. Zijn tijdgenoot John Evelyn beschreef vol bewondering dezelfde dagen: de snelheid, en vooral het verbluffende vermogen om in volle vaart plotseling stil te staan, op de manier van de Hollanders. Het Engels nam niet alleen de kunst over, maar ook het woord: skate is rechtstreeks ontleend aan het Nederlandse schaats.
Misschien is dat de diepste betekenis van al die verbaasde reisverslagen. De buitenlandse blik heeft het Hollandse ijs als wonder ervaren — en dat wonder is uiteindelijk niet via woorden, maar via beelden de wereld over gegaan. Want het winterlandschap zélf werd het venster waardoor de vreemdeling naar Holland keek. Voor wie nooit een bevroren gracht had gezien, was een ijsgezicht van Avercamp of een sneeuwtafereel van zijn navolgers precies datgene wat de Boheemse baron, de Spaanse kapitein en de Marokkaanse gezant met eigen ogen hadden aanschouwd: een land dat in de winter veranderde in iets betoverends. De schilderijen reisden, net als de schaats, de grenzen over — en de verwondering werd een exportprodukt.
Naschrift:
Dit artikel steunt op geverifieerde bronnen. De reis van Leo van Rožmitál (1465–67) is overgeleverd in de kronieken van Schaseck en Tetzel; het schaatstafereel aan het Bourgondische hof staat daarin beschreven. De slag op het ijs bij Amsterdam (december 1572) en de bevoorrading van het belegerde Haarlem berusten op John Lothrop Motley, The Rise of the Dutch Republic. Of de Hollanders daarbij schaatsen of ijzeren krammen droegen, is onder historici niet zeker; het verhaal van de duizenden door Alva bestelde schaatsen leeft vooral voort in latere, populaire navertellingen en is niet als hard archieffeit te beschouwen. Dat in Holland ook vrouwen van allerlei rang schaatsten, is goed gedocumenteerd (de Spaanse kapitein Alonso Vázquez; de overvloed aan 17e-eeuwse afbeeldingen van schaatsende vrouwen); dat het aan het Engelse en Franse hof als onbetamelijk gold, is een gevolgtrekking uit het feit dat vrouwen daar zelden in het openbaar schaatsten en de schaats er pas laat in de mode kwam — geen woordelijk geciteerde bron. Dat de Hollandse elite zich in de achttiende eeuw onder Franse invloed van het ijs terugtrok, behalve in Friesland, berust op schaatshistorisch onderzoek (Wiebe Blauw). De waarneming van Pepys (1 december 1662) is aan zijn dagboek ontleend; het beeld van het plotse stilstaan in volle vaart is van John Evelyn. Bentivoglio’s Relatione delle Provincie Unite (1629; hier geciteerd naar de Engelse vertaling van Henry Carey, graaf van Monmouth, 1652) bevat een geverifieerde winterpassage over het land dat ’s winters onder water loopt; een passage over schaatsen of ijs heb ik er niet in aangetroffen en wordt hem dus niet toegeschreven. De veelaangehaalde uitroep van Alva over musketiers op een bevroren zee circuleert breed, maar kon niet woordelijk in een primaire bron worden bevestigd en is daarom niet als citaat opgenomen.
