
De winters konden extreem koud zijn tijdens de ‘Kleine IJstijd’, die ons land vanaf de Middeleeuwen tot 1850 in zijn greep had. Oogsten mislukten en de wijnbouw verdween voor lange tijd uit onze contreien. Toch was het niet alleen maar kommer en kwel.
Er was ook ijsvermaak.
Vanaf 1465 reist de Boheemse baron Rozmital, in opdracht van zijn vorst, langs de Europese hoven om te pleiten voor een Pan-Europees vredesverdrag om een einde te maken aan de geloofsoorlogen, die met name in Bohemen vele slachtoffers hadden gemaakt. Zijn delegatie bestond uit 40 katholieke edelen en ridders met 52 paarden. Ze werden met veel égards ontvangen aan diverse Europese hoven en namen deel aan toernooien. In 1466 bezochten Rozmital en zijn gevolg de Bourgondische hertog Filips de Goede, die in Brussel resideerde.
Het toeval wilde dat het die januarimaand vroor dat het kraakte. Omdat baron Rozmital een schildknaap had meegenomen, die een dagboek bijhield, beschikken we nu over het oudste verslag ter wereld van een schaatswedstrijd.
De schildknaap schreef: “Er is hier een park, met een meer naast het kasteel en dat meer was helemaal bevroren. De hertog gelastte een aantal hovelingen naar het park te gaan en een wedstrijd te rijden op het bevroren meer. Ze – er waren er achtentwintig – streden met zo’n snelheid dat ik kan verklaren dat ik zoiets nog nooit gezien of gehoord heb. Eén in het bijzonder was zo bekwaam, dat hij in z’n eentje de aanval van tweeëntwintig anderen kon weerstaan. Zo groot was hun snelheid in rijden en draaien, dat zelfs geen paard het had kunnen bijhouden. Ik was benieuwd om te zien wat ze nou aan hun voeten hadden waardoor ze zich zo vlug over het ijs konden bewegen. Dat had gemakkelijk gekund, maar ik kon mijn heer niet alleen laten terwijl hij met hertog Filips zat te kijken.”
Honderdvijftig jaar later, in 1608, zien we eenzelfde verbazing bij de Marokkaanse gezant Samuel Pallache, als hij naar de Marokkaanse sultan een verslag van zijn verblijf in Holland stuurt:
“Het is hier thans een jaargetijde dat de waters overdekt zijn met een witte korst, een soort koek, die veel op kandijsuiker gelijkt, waarop de mensen met een paar gepolijste ijzertjes onder de voeten zoo hard lopen, als bij ons de struisvogels in de woestijn.”
De sultan kon het amper geloven en antwoordde: “Als het waar is, is het wonderlijk maar ik geloof er niemendal van.”
De winter was, zo lezen we, dus niet alleen maar doffe ellende. Sterker nog, precies tijdens een van de zwaarste koudegolven bloeide de Republiek der Verenigde Nederlanden als nooit tevoren. In die Gouden Eeuw was de innovatiedrift het grootst, werden niet alleen wagens met zeilen voor transporten over het ijs uitgevonden, maar ook schepen die bestand waren tegen kruiend ijs. En op vele plaatsen in ons land ontstonden maatschappelijke organisaties die mensen voor de hongerdood moesten behoeden. Misschien kreeg het zo geroemde Poldermodel juist in die koude tijd zijn belangrijkste impuls.
En, niet onbelangrijk, tijdens de Gouden Eeuw kwam een nieuw genre in de schilderkunst tot grote bloei, de winterlandschappen van Nederlandse makelij die sindsdien wereldfaam genieten. Vanaf toen hingen in veel, heel veel huizen, dergelijke werkjes aan de wand. Kroop ‘de winter’ sindsdien voorgoed in onze ziel?
Voorgoed? Wat doet het met onze identiteit, nu sneeuw en ijs door de opwarming van het klimaat uit het landschap verdwijnen?
Naschrift:
Het hier getoonde winterlandschap is vanuit een verhoogd standpunt geschilderd. Daardoor krijgt de toeschouwer een breed overzicht van de bevroren rivier en de mensen die erop schaatsen. De schilder treedt daarmee in het voetspoor van Hendrick Avercamp (1585–1634), die ijsgezichten met een hoge horizon schilderde. Maar meer nog dan op de werken van Avercamp lijkt dit schilderij op die van Aert van der Neer (1603–1677). De figuurweergave — de schaatsers zijn klein en met een paar penseelstreken geschilderd — en de beheerste behandeling van licht wijzen daarop. Het oogt in eerste instantie eenvoudig, maar de fraaie licht-donkerwerking verraadt een bedreven kunstenaarshand.
Het schilderij is hoogstwaarschijnlijk gebaseerd op schetsen die de kunstenaar ter plekke in de vrieskou maakte. Naderhand, in zijn atelier, vormde hij de werktekeningen om tot dit schilderij. Dat de schets en plein air is vervaardigd, blijkt uit een reeks details die te specifiek zijn voor puur atelier-werk: de schaatslijnen op het ijs die in meerdere richtingen lopen, de houten palen die uit het bevroren water steken, de koek-en-zopietent in het midden met bezoekers eromheen, en de man op de voorgrond die een vrachtslede over het ijs duwt. Dit laatste detail is veelzeggend: het ijs werd ookr als transportweg gebruikt. Dit schilderij is daarmee geen ideaaltypisch wintertje maar een document van een werkende wintereconomie.
De kostumering van de figuren — de brede slappe hoed en het jassilhouet van de centrale schaatser — en de compositie- en schildertechnische kenmerken, verraden dat het schilderij dateert uit de laat-17e of vroeg-18e eeuw, ca. 1690–1720. De kostumering, pigmentgebruik en stijlkenmerken wijzen eenduidig naar de generatie kunstenaars die direct op Van der Neer en Avercamp volgde.
Welke winter de directe aanleiding vormde voor de schets (waar het schilderij op gebaseerd is) is moeilijk met zekerheid te zeggen. De koek-en-zopietent veronderstelt vorst die lang en stabiel genoeg was voor georganiseerde handel op het ijs, maar de sfeer van het schilderij — ordelijk, handeldrijvend, met recreatie naast arbeid — past bij een strenge winter. De winters van 1694–1695, 1696–1697 en 1715–1716 komen dan het meest in aanmerking. Dit zijn winters die in de bronnen als langdurig en streng worden beschreven, maar waarbij het dagelijks leven op het ijs gewoon doorging.
