Over de bewoners aan de Amsterdamse Keizersgracht 739 is een verhaal te schrijven. Maar wij pikken er specifiek één familie uit. Het pand — een statige halsgevel uit circa 1700, op het zuidelijke deel van de gracht — werd vanaf de 19e eeuw bewoond door de familie Mendes, telgen van een Sefardisch bankiersgeslacht dat al in de 17e eeuw vanuit Portugal naar Amsterdam was gevlucht voor de Inquisitie.
In dit grachtenhuis werd op 17 juni 1860 Isaac Alfred Mendes geboren, en twee jaar later, in 1862, zijn broer Jules Eduard Mendes. Twee broers, één geboortehuis, twee totaal verschillende levens — en toch verbonden door hetzelfde lot dat de Sefardische elite van Amsterdam uiteindelijk zou treffen.
De naam Mendes staat voor een van de invloedrijkste families die in de zeventiende eeuw vanuit het Iberisch schiereiland naar Amsterdam kwamen.
Zij behoorden tot de kern van wat de grachtenstad groot maakte: een netwerk van Portugees-Joodse kooplieden en bankiers, actief in internationale handel met Portugal, Spanje, Italië en de Levant, in wisselhandel en kredietverlening, in assurantie en de handel in diamanten, suiker, tabak en koloniale goederen. Namen als Pimentel, Curiel, De Pinto, Teixeira en Mendes stonden voor een relatief kleine, maar uitzonderlijk invloedrijke gemeenschap die haar sporen naliet in de architectuur, de cultuur en het handelsleven van Amsterdam.
De broers Mendes groeiden op in dat milieu van welstand en traditie. Isaac zou het familiespoor volgen: in 1889 trad hij toe als compagnon bij het effectenkantoor van Julius Gans, dat daarna verder zou gaan als Mendes Gans & Co. In 1911 verkreeg het een bankvergunning van De Nederlandsche Bank. Na de Eerste Wereldoorlog verhuisde de bank naar Herengracht 619 — het historische pand uit 1667 dat ooit was gebouwd in opdracht van burgemeester Jan Six. Een bewuste keuze voor een toplocatie in de Amsterdamse financiële wereld.
Anders dan zijn broer koos Jules Eduard Mendes een ander pad. Hij werd schilder.
Jules Eduard Mendes ging aan de Van Baerlestraat 70 hs wonen, in het Museumkwartier — op steenworp afstand van het Rijksmuseum, het Concertgebouw en de ateliers van tijdgenoten. Het was de buurt van de ‘beschaafde’ Amsterdamse bovenlaag: bankiers, kunstenaars, hoge ambtenaren. Een woning aan de Van Baerlestraat was rond 1900 geen huurkamertje; het was een statement van elitair woongenot.
En welgesteld was Mendes zeker: zijn naam verschijnt in de belastingkohieren van de provincie Utrecht onder de hoogst aangeslagenen — een formele staatsrechtelijke categorie voor de rijksten van de provincie. Hun namen werden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd en zij hadden destijds als enigen kiesrecht voor de Eerste Kamer. Zijn vermogen was niet het vermogen dat een schilder had opgebouwd. Het was dynastiek kapitaal.
Hij schilderde voornamelijk landschappen, maar ook boerentaferelen met de vertrouwde rust van stal en keuken, van vrouwen bij het werk, van het leven binnen vier muren. Al in 1895 was hij actief op de Amsterdamse kunstmarkt: bij een tentoonstelling van moderne schilderijen in kunstzaal Krasnopolsky werd dat jaar zijn werk ‘Zuur verdiend’ — een figurenschilderij — verkocht.
Jules Eduard Mendes was lid van twee Amsterdamse kunstenaarsverenigingen: Sint Lucas (gevestigd op het Rembrandtplein) en Arti & Amicitia.
In 1908 trouwde Jules Eduard Mendes met Catharina van Thol. Die verbintenis is de sleutel tot zijn schilderstijl — maar anders dan men op het eerste gezicht zou denken.
Catharina was de zuster van Hendrik Otto van Thol (1859-1902), een van de markante schilders uit de kring rond de Haagse School. Opgeleid aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, werd Hendrik Otto van Thol bekend om zijn winterlandschappen — besneeuwd bos bij Elspeet, schaatsers op bevroren sloten, houtsprokkelaars in wit licht. Hij assisteerde Louis Apol bij het legendarische panorama van Nova Zembla, dat van 1896 tot 1901 in Amsterdam te zien was. In 1892 ontving hij samen met Aletta Ruijsch een persoonlijke aanmoedigingssubsidie van de koningin. Het Haags Gemeentemuseum bezit werk van zijn hand.
Hendrik Otto overleed in 1902 aan de gevolgen van een fietsongeluk — zes jaar vóór het huwelijk van zijn zuster. Hij kon zijn aanstaande zwager dus nooit rechtstreeks beïnvloed hebben. Maar zijn zus Catharina erfde ongetwijfeld het werk van hem: schilderijen, studies, aquarellen, de visuele wereld waarin zij was opgegroeid. Jules Eduard Mendes omringde zichzelf zo — bewust of onbewust — met de gedempt grijze luchten, de besneeuwde bossen en de boerentaferelen die het handelsmerk waren van de Haagse School. Wat de zwager had geschilderd, hing aan de wanden. Wat de zwager had gezien, leerde de schilder zien.
In februari 1905 adverteerde Jules Eduard Mendes — op eigen kosten, in meerdere dagbladen — voor een tentoonstelling bij kunstgenootschap Sint Lucas op het Rembrandtplein. Hij exposeerde samen met de jonge schilder B. Ferwerda. De door hemzelf betaalde advertentie in Het nieuws van den dag was niet mis te verstaan:
“SINT LUCAS (Rembrandtplein 10). B. FERWERDA en J.E. MENDES exposeeren hunne KUNSTWERKEN van 12 FEBRUARI tot 6 MAART. Geopend van 10–5 uur. Leden vrij entrée. Niet-Leden 25 cents.”
Het bestuur van Sint Lucas had zich van tevoren gedistantieerd: de expositie viel buiten zijn verantwoordelijkheid, omdat de getoonde werken niet door een jury waren gekeurd. Mendes had, naar het schijnt, als lid statutair recht op expositieruimte — een recht dat het bestuur niet kon blokkeren, ongeacht zijn oordeel over de kwaliteit.
Ruim veertig werken toonde hij tezamen met de jonge kunstenaar. Hij betaalde er zelf voor. Maar hij zou de rekening gepresenteerd krijgen.
Op 12 maart 1905 verscheen in het Bijblad van het Ochtendblad van De Nieuwe Courant een kunstkroniek onder de kop ‘Kunst in de hoofdstad’. De recensent — anoniem, zoals destijds gebruikelijk, maar naar stijl en vocabulaire vermoedelijk Albert Plasschaert. Deze meest gevreesde kunstcriticus van zijn generatie wijdde de eerste helft van zijn column aan bewondering voor het werk van de onlangs overleden P.J.C. Gabriel. Daarna wendde hij zich tot de expositie in Sint Lucas.
Wat volgde was een van de scherpste veroordelingen uit de Nederlandse kunstkritiek van die jaren. Een bloemlezing:
“In Sint Lucas zijn werken te zien geweest van de heeren J.E. Mendes en B. Ferwerda. Mendes moet al een veertiger zijn; Ferwerda is nog jong. Het is te hopen dat de laatstgenoemde iets van beteekenis bereiken zal; van Mendes mag dit nauwelijks worden verwacht.”
“Als is Mendes’ werk erbarmelijk slecht van techniek… och, het zou desondanks nog wel de belangstelling waard kunnen zijn — als maar bleek dat de schilder te vroeg had willen uiting geven in plastische kunst van eigen aandoeningen, eigen temperament, zoekend een weg. Maar het blijkt niet dat deze schilder ons iets heeft te vertellen. Niemendal van hetgeen hij exposeert, is eigenlijk waard dat we er al samen over praten.”
“Was het bestuur niet door statuten genoodzaakt iemand als den heer Mendes te laten exposeeren, dan draagt het ook de volle verantwoordelijkheid. Aan den goeden naam der jeugdige vereeniging heeft deze onbillijke manifestatie veel kwaad gedaan.”
De recensent maakte Mendes drie verschillende verwijten: technisch onvermogen, inhoudelijke leegte, en reputatieschade voor de vereniging. De formulering “deze schilder heeft ons niets te vertellen” is geen stijlkritiek — het is een moreel vonnis. En het leeftijdsargument maakt elk perspectief op verbetering bij voorbaat onmogelijk. Eigenlijk is sprake van karaktermoord.
De criticus die dit schreef was zo berucht dat de Nederlandse kunstenaarswereld zich twintig jaar later collectief tegen hem zou organiseren. In april 1927 brachten de gezamenlijke kunstenaarsverenigingen een brochure uit onder de titel ‘Openbare critiek op werken van levende meesters’ — een werkje van 64 pagina’s, waarvan ruim een derde was gewijd aan de recensies van Albert Plasschaert, die als beledigend en insinuerend werden ervaren. Of Plasschaert inderdaad de auteur was van de Mendes-kroniek is niet 100% zeker, maar de stijl, het morele register en de vernietigende zeggingskracht zijn onmiskenbaar de zijne.
Jules Eduard Mendes bleef schilderen. Hij stierf op 27 januari 1920 in Soestdijk, na een zeer korte ziekte, op 57-jarige leeftijd. Het overlijdensbericht in het Algemeen Handelsblad van 28 januari werd geplaatst door zijn broer Isaac Mendes. “Geen rouwbeklag”, stond erbij
Het is een sober, feitelijk bericht. Geen lofrede. Geen opsomming van tentoonstellingen. Geen nagedachtenis aan werken. Een man van aanzienlijk fortuin, telg van een oud geslacht, schilder bij levenslust — verdwenen van het toneel zonder echo.
Dan zijn broer.
Isaac Alfred Mendes, geboren op dezelfde Keizersgracht 739, had ondertussen zijn bank uitgebouwd tot een van de gerespecteerde instellingen van de Amsterdamse financiële wereld. Na de Eerste Wereldoorlog vestigde Bank Mendes Gans zich op Herengracht 619 — het huis van Jan Six. Een pand dat al in de 17e eeuw symbool stond voor het samenspel van Amsterdams vermogen en kunstmecenaat.
Toen de Duitse troepen op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, vluchtte Isaac Alfred Mendes tijdens de hectische meidagen naar Zuid-Frankrijk. Hij was tachtig jaar oud. De man die zijn leven had gewijd aan effectenhandel, aan het beheer van de vermogens van de Amsterdamse bovenlaag, aan een bank die op de beurs werd genoteerd als een van de kostbaarste fondsen van de AEX, stierf in ballingschap, in armoede, voor het einde van de oorlog.
Terug naar de schilder Jules Eduard Mendes. Hij was geen grootmeester, dat is overduidelijk. De vernietigende recensie van 1905 sluit elke heroïsering bij voorbaat uit. Maar hij is iets anders: een spiegel van een wereld en een tijd.
Hij was de man die, vanuit een Sefardisch bankiersgeslacht dat in de zeventiende eeuw Amsterdam mede groot had gemaakt, zijn vermogen gebruikte om te schilderen in de geest van zijn zwager, de winterlandschapschilder Hendrik Otto van Thol. Zonder schroom exposeerde hij, adverteerde hij op eigen kosten en betaalde hij zo zijn weg naar de wanden van Sint Lucas. De kritiek vernietigde hem publiekelijk. Maar hij ging door.
Tegelijkertijd bouwde zijn broer Isaac, geboren in hetzelfde grachtenhuis, een bank op die zijn naam zou dragen tot in de 21ste eeuw.
De bankier en de kunstschilder, beide broers werden in een fraai pand met een halsgevel, daterend uit 1700, geboren aan de Keizersgracht 739. Het huis dat daarmee de oorsprong werd van twee verhalen, het een tragischer dan het andere.
