Door velen wordt Pieter Bruegels ‘Jagers in de sneeuw’ gezien als het eerste ‘echte’ winterlandschap. En het blijft verbazen dat het tot 1565 moest duren voordat dit eerste grote winterschilderij gemaakt werd. Misschien was men, vóór die tijd, vooral afkerig van het winterseizoen met al zijn ongemakken? En was het voor de meeste mensen, niet alleen voor de armen maar ook voor diegenen die in ijskoude kastelen woonden, vooral de vraag hoe je de winter levend doorkwam?
Toch had Bruegel niet de primeur. Verrassenderwijs duikt de winter in de Europese schilderkunst voor het eerst op in Italië. Uitgerekend in dat doorgaans warme land zijn de eerste aanzetten van winterlandschappen te vinden. De oudste illustratie waarop we mensen in de sneeuw zien, vinden we in een 14e eeuws Italiaans medisch handboekje dat vertaald is uit het Arabisch. Het toont een man en een vrouw met op de achtergrond een besneeuwd berglandschap.
Dan is er nog een fresco te bewonderen in het bisschoppelijk paleis van het Noord-Italiaanse Trente, waarop edellieden afgebeeld staan die in een sneeuwballengevecht verwikkeld zijn. Kennelijk begon men de lol ervan in te zien.
Ook in Japan is, in de 15e eeuw, een weergave van de winter te vinden.
Bijna 100 jaar voordat Bruegel aan zijn ‘Jagers in de sneeuw’ begon, maakte de Japanse Zen-monnik Sesshu Toyo (1420-1506) zijn eerste winterlandschap, een inkt-tekening. Dit Japanse winterlandschap, met zijn desolate en woeste uitstraling, weerspiegelt het Zen-concept van sobere kracht, deugdzaamheid en standvastigheid in moeilijke tijden. Merkwaardigerwijs benadrukken sommige wetenschappelijke verhandelingen over ‘Jagers in de sneeuw’ precies ditzelfde aspect in Bruegels winterlandschap: ook hierin manifesteert zich het weerstandsvermogen van mensen onder barre omstandigheden.
Evenals Bruegel, heeft ook de Japanse monnik Sesshu Toyo met zijn winterlandschap een immense invloed gehad op de schilderkunst.
Terug naar Europa waar in 1410 de schatrijke Duc de Berry de gebroeders Van Eyck de opdracht geeft een Getijdenboek voor hem te illustreren. Zo’n boek bevat gebeden, psalmen en andere teksten die gelovigen op vaste tijden opzeggen. Het is dus een soort kalender. In het boek schilderden de broers bij elke maand van het jaar de meteorologische situatie en de seizoensgebonden werkzaamheden op het land. En zo komt het dat de illustratie, die de gebroeders Van Eyck bij de maand februari maken, een heus winterlandschap laat zien.
Het is een wereldberoemd tafereel. In een woning op de voorgrond warmen mensen zich aan het haardvuur en daarachter, tussen de besneeuwde heuvels, is een dorpje zichtbaar. Een boer of koopman is met zijn lastdier naar het dorp onderweg om zijn waren aan de man te brengen.
Deze traditie van het schilderen van de verschillende seizoenen, in 1410 door de gebroeders Van Eyck ingezet, is daarna blijven voortbestaan. Daarbij werden steevast de winter, herfst, zomer en lente getoond in hun onderlinge relatie.
In dezelfde eeuwenoude lijn schilderde de Vlaamse kunstenaar Ferdinand de Prins (1859-1908) deze twee miniaturen, herfst en winter. Tegenwoordig noemen we dit een ‘pendant’, twee bij elkaar horende werken dus die ook elkaars tegenpool zijn. Ze zijn gemaakt om samen tentoongesteld te worden.
Ferdinand de Prins was klaarblijkelijk talentvol, want al op 13-jarige leeftijd werd hij toegelaten tot de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waar hij les kreeg in figuurtekenen van Edward Dujardin (1817-1889), een bekende illustrator die verantwoordelijk was voor de etsen in 45 romans van de Vlaamse literator Hendrik Conscience.
Van Jozef van Luppen (1834-1891) leerde hij hoe hij landschappen moest schilderen en van August Schoy (1838-1885) hoe je gebouwen in het juiste perspectief kunt tekenen.
Ferdinand de Prins schilderde landschappen in een vlotte, directe stijl die typisch is voor de late 19e eeuw. Hij werkte met olieverf en het lijkt alsof hij uit de losse pols schildert — je ziet de kwaststreken duidelijk terug, wat de schilderijen een levendig, bijna beweeglijk karakter geeft. Hij had een goed gevoel voor sfeer en licht: in zijn winterlandschappen speelt hij met de koele, bleke tonen van sneeuw en ijs, terwijl hij in zijn herfst- en zomertaferelen warme gele en oranje kleuren gebruikt. De figuren in zijn werk zijn klein en schetsmatig neergezet, maar altijd raak — ze verlevendigen het landschap, maar domineren het niet. Zijn schilderijen zijn niet experimenteel of vernieuwend, maar vakkundig en aangenaam. Hij laat de natuur zijn werk doen.
Laten we bij deze twee schilderijtjes van zijn hand dit Vlaamse gedicht plaatsen. Als pendant.
“Een goed najaar
De vruchten zijn verkocht.
De boeren betalen de pacht aan de Heren.
De vliegen vallen dood op tafel.
Het regent gulzig en de bieten glanzen.
De akkers verteren hun moederkoek
en stijf in de wolken nadert de winter.
Morgen koop ik zeven kannen olie
en een nieuwe bril om in het boek te lezen.
Deze winter ga ik nog niet dood.”
Paul Snoek
uit: Gedichten 1954-1968.
Brussel: Manteau

