
Het is een bijzonder schouwspel dat je niet vaak op 19e eeuwse Hollandse ijsgezichten zult aantreffen. Want meestal tonen die anonieme schaatsers, die je vanaf de rugzijde ziet, terwijl ze zwoegen in een onmetelijk en ijzig landschap onder een wijdse wolkenhemel.
Albert Jurardus van Prooijen (1834-1898) maakt op dit schilderij de wereld juist klein. Hij vertelt een verhaal, zo lijkt het. We zien twee paarden voor wie de dienst erop zit. Ze zijn afgespannen, de riemen die de slee aan de paarden verbinden, zijn losgemaakt. De dieren ogen vermoeid, in tegenstelling tot de centrale figuur op het schilderij. Die houdt triomfantelijk een bierkroes in zijn hand en zijn gezicht straalt een en al vrolijkheid uit. Is het een koopman die zojuist zijn waar heeft verkocht? Goederen die hij op de vrachtslede heeft aangevoerd? Hoe dan ook, hij drinkt er een stevig glas op.
We kijken, met het kind op de voorgrond, mee naar het tafereel. Hij trekt ons het schilderij binnen, maakt ons deelgenoot van het verhaal.
Over kinderen gesproken, de kleine Albert Jurardus van Prooijen moet een groot talent zijn geweest, want hij was amper dertien jaar oud toen hij al werd ingeschreven aan de Academie Minerva in Groningen.
De daaropvolgende jaren nam hij deel aan diverse exposities en won talrijke prijzen voor zijn werk. Albert was pas 18 toen hij in 1853 een hoge, prestigieuze onderscheiding ontving: de Grote Koninklijke Medaille voor Schilderkunst. De medaille werd uitgereikt door koning Willem III, ter erkenning van zijn buitengewone bijdrage aan de kunst. Een jaar later won Van Prooien met zijn schilderij, ‘Landelijke eenvoudigheid’ vervolgens een prijsvraag van de Groningse kunstvereniging Pictura. Van diezelfde vereniging kreeg hij daarna de opdracht aquarellen te maken van een oud Gronings monument, dat gesloopt zou gaan worden, het Groene Weeshuis. Zijn werk maakte grote indruk op het kunstminnend publiek, evenals zijn stadsgezichten, die in 1861 in steendruk onder de naam Album der stad Groningen werden uitgegeven.
Zijn carrière leek zich voorspoedig te ontwikkelen, zeker toen hij ook nog eens een voorlopige aanstelling kreeg als hoofddocent aan het instituut waar hijzelf was opgeleid, de Academie Minerva. Maar het contract werd niet verlengd. Waarom niet? Later werd uit de mond van zijn toenmalige collega-docent F. Bach opgetekend dat Van Prooien drankproblemen had.
Mogelijk dat Taco Mesdag, de beroemde schilder van de Haagsche School met wie hij bevriend was, Van Prooijen bewoog naar het Westen te verhuizen. In ieder geval vertrok hij in 1869 met zijn gezin uit Groningen naar Amsterdam. Vanaf dat moment werd zijn werk steeds minder romantisch en steeds meer impressionistisch. Die kunststijl, waar ook zijn vriend Mesdag een exponent van was, zette zich steeds nadrukkelijker door. De romantische winterlandschappen en stadsgezichten waren passé. Van Prooien schilderde steeds meer met een wat ruigere toets. Zoals ook op dit schilderij te zien is.