Dit schilderij dateert uit 1869 en is gemaakt door de Belgische kunstenaar Alexis de Leeuw. De kwaliteit van zijn werken wordt in heel Europa nog steeds hoog aangeslagen.
Zijn leven is een mysterie. Althans, zo wordt dat door menigeen in de kunsthandel beweerd. Maar is dat werkelijk zo?
Wat weten we feitelijk over deze 19e eeuwse Vlaamse schilder? In ieder geval dat hij een groot deel van zijn arbeidzaam bestaan leidde in Engeland, waar hij in 1860 exposeerde in de prestigieuze ‘Royal Academy’, het ‘British Institute of Art’, de ‘Royal Hibernian Academy’ en talrijke galerieën aan de ‘Suffolk Street’ in Londen. Van hem is bekend dat hij, behalve romantische winterschilderijen, ook realistische dierportretten maakte, vooral van paarden. Juist die werken waren met name geliefd in Engeland, waar menig edelman destijds een paard hoger aansloeg dan zijn medemens.
Maar vooral zijn winterse taferelen (die nog steeds in Engeland voor kerstkaarten worden gebruikt!) vielen in goede aarde. Ze stralen een huiselijkheid en geborgenheid uit die nauwkeurig aansloot bij de ‘Zeitgeist’ van dat moment. Charles Dickens had juist zijn prachtige Kerstverhaal ‘A Christmas Carol’ gepubliceerd en dat boek werd halverwege de 19e eeuw de graadmeter van de wijze waarop met Kerstmis wilde vieren. Maar Dickens was niet de enige grondlegger van ‘het ware kerstgevoel’. Ook koningin Victoria en haar Duitse echtgenoot prins Albert (die de Kerst-tradities van zijn vaderland nog steeds koesterde en had meegenomen), deden een forse duit in het zakje.
Over kerstgevoel gesproken, Alexis de Leeuw sloot hier perfect op aan. Het hier getoonde ijsgezicht toont mensen die zichtbaar genieten van de winter. Op het eerste gezicht lijkt het een typisch ‘Hollandse’ ijstafereel, maar als je goed kijkt, zie je dat het niet door een ‘Hollander’ geschilderd kan zijn. Want anders dan bij veel ‘Hollandse’ schilderijen, waarop vooral wazige en nietige figuren op een onmetelijk ijslandschap onder een dreigende hemel afgebeeld staan, toont dit werk ons de gezichten en zelfs de gezichtsuitdrukkingen van de schaatsers. De Vlaming Alexis de Leeuw wil mensen in een landschap afbeelden en niet, zoals veel Hollandse schilders, landschappen met nietige mensjes.
Anders dan zijn kunstbroeders uit het Noorden, schildert De Leeuw een natuur die mensen omarmt en niet overweldigt.
De jonge man, rechts in beeld, oogt onverholen enthousiast. Het kind, dat tegen de moeder op de slee aangedrukt zit, kijkt vol ontzag naar wat er om hem heen gebeurt. Of is hij bang voor de jonge man met de stok en begrijpt hij niet dat de schaatser hiermee zijn evenwicht bewaart? Ook is de stok, met een haak aan het uiteinde, van levensbelang als de schaatser in een wak tuimelt. Dankzij de haak kan hij zich dan optrekken.
De vrouw in de slee, zo lijkt het, laat het zich allemaal welgevallen. Terwijl haar jonge man de slee voortduwt, toont zij een minzame glimlach. Zij beschermt het kind, haar man beschermt zijn gezinnetje en de hond waakt over het geheel.
Het tafereel ademt een en al geborgenheid. En meer dan dat, want laten we tot slot nog eens blik werpen op het hier afgebeelde schilderij en ons, even maar, identificeren met het kind in de slee dat vol verwondering het hele tafereel om zich heen gadeslaat. In ‘A Christmas Carol’ vinden we een prachtig fragment, dat nauw hierbij aansluit: “For it is good to be children sometimes, and never better than at Christmas, when its mighty Founder was a child Himself.”
Was Alexis de Leeuw een romanticus, een schilder die met veel gevoel voor kersttradities de juiste snaar bij zijn publiek wist te beroeren?
Op het eerste gezicht zou je dat zeker denken. Maar wie dieper graaft in De Leeuws loopbaan, ontdekt al snel dat achter deze ogenschijnlijk gevoelige romanticus een bijzonder scherpzinnig zakenman schuil ging. Een kunstenaar die precies wist wat hij deed, voor wie hij het deed, en waarom het zou werken. Zijn opkomst was geen gelukkig toeval, maar het resultaat van een jaar intensieve voorbereiding op een plek die je niet meteen met kunstenaarschap zou associëren: een Victoriaanse kostschool voor de zonen van de Britse elite.
In 1859 was Alexis de Leeuw nog geen gevestigde schilder. Hij was tekenleraar, pas gearriveerd uit België, werkzaam aan Grange Court in het Engelse Chigwell. Deze prestigieuze kostschool profileerde zich als opleidingsinstituut voor ‘sons of gentlemen’, en De Leeuw was daar aangesteld als ‘French and Drawing Master’. Het was een bescheiden positie, maar voor de scherpe observator die De Leeuw bleek te zijn, werd dit ene jaar een onschatbare leerschool – niet in kunst, maar in marketing en verkoopstrategie.
Grange Court was niet voor niets een autoriteit in de wereld van Britse kostscholen, gespecialiseerd in het ontwikkelen van ‘manliness’ en ‘Character building’. Prestige en autoriteit waren hier cruciaal. En precies op deze plek leerde Alexis de Leeuw hoe je prestige construeerde. De school plaatste bijvoorbeeld zijn naam (tussen die van twee hoogleraren van Oxford en een van Cambridge) prominent in advertenties in een van meest prestigieuze weekbladen voor de Britse elite, ‘The Athenaeum’. De naam ‘De Leeuw’, een continentale naam, voegde in dit soort advertenties immers waarde toe aan het instituut dat zich voor liet voorstaan op haar internationale karakter. Ouders betaalden niet alleen voor tekenles, maar voor cultureel cachet. Ze wilden dat hun zonen onderwezen werden door iemand van het Europese vasteland, iemand die de verfijnde smaak van Parijs en Brussel met zich meedroeg.
Maar belangrijker nog: tijdens zijn eenjarig verblijf op Grange Court leerde De Leeuw zijn doelgroep kennen. Hij zag dagelijks hoe de Victoriaanse elitevorming functioneerde, wat ze waardeerden, waarvoor ze betaalden. Ouders wilden niet dat hun zonen tekenen leerden als ambachtelijke vaardigheid. Ze wilden dat tekenen hun zonen vormde tot gentlemen, dat het geduld, precisie en culturele verfijning bijbracht. Kunst was geen doel op zich, maar een middel tot sociale distinctie. Deze inzichten waren onbetaalbaar voor iemand als De Leeuw die kunst aan diezelfde elite wilde verkopen.
Tegelijkertijd lag Chigwell midden op het platteland vant Essex, omringd door precies die elementen die zijn latere werk zouden definiëren. Bij de plein-air sessies die hij met zijn leerlingen organiseerde – een populaire praktijk bij elite-scholen als onderdeel van ‘natuurobservatie’ – schetste hij zelf urenlang. Hij observeerde werkpaarden die karren trokken, hun adem dampend in de koude lucht, hun spierspanning vertaald in beweging. De paarden in zijn latere winterlandschappen hebben exact die natuurlijke houding, die anatomische correctheid die ontstaat door maandenlange intensieve observatie.
En toen kwam de winter van 1859-1860. Een strenge winter, met sneeuw en ijs – precies het type winter dat Dickens’ Engeland zo geromantiseerd had. De Leeuw zag hoe de kinderen van Grange Court op de bevroren Roding schaatsten, hoe families sledetochten maakten. Hij schetste het allemaal, maar cruciaal was wat hij begreep van wat hij zag. De winterse activiteiten waren hier geen ‘overleven’, maar ‘plezier’. De families waren niet armoedig maar welgesteld, de kinderen niet verwaarloosd maar verzorgd, de sfeer niet somber maar gezellig. Dit was geen barre Hollandse winter – kou, soms dreigend, met nietige figuren onder een uitgestrekte lucht. Dit was de Victoriaanse winter: intiem, huiselijk, geborgenheid in de kou. En dat was precies wat zijn toekomstige kopers wilden zien. Niet de realistische kou, maar de geromantiseerde herinnering. Niet de hardheid van het bestaan, maar de nostalgie naar een verdwijnend platteland.
De snelheid waarmee De Leeuw, nadat hij Grange Court had verlaten, professioneel succesvol werd, is opvallend. Begin 1860 – direct na zijn vertrek uit Chigwell – opende hij zijn eerste atelier in Londen en adverteerde hij in de ‘London Directories’, een soort Gouden Gids voor welgestelde zakenmensen. Tegen 1865 waren zijn winterlandschappen met werkpaarden al gevestigde commerciële successen. Geen jaren van ploeteren, geen lange artistieke ontwikkeling. Alexis wist precies wat hij moest schilderen, voor wie, en hoe hij zijn kunst moest positioneren.
Zijn werk was een briljante synthese. Enerzijds authentiek Nederlands – het ijs, de kleding, de schaatsers ademden Hollandse traditie, wat hem geloofwaardigheid gaf als continentale kunstenaar. Anderzijds Victoriaans sentimenteel – de warme gezinstaferelen, de glimlachende gezichten pasten perfect in Dickens’ kerstcultuur. Hij was een verbinder van continentale techniek en Brits sentiment die een geïdealiseerde winter schilderde die beide culturen aansprak.
Ook zijn timing was perfect. Zijn doorbraak kwam nadat Dickens’ ‘A Christmas Carol’ de Britse kerstcultuur had gedefinieerd en Koningin Victoria en Prins Albert die hadden gepopulariseerd. De Leeuw lifte mee op dit sentiment– zijn winterscènes waren geen artistieke statements, maar visuele antwoorden op een culturele vraag.
Was De Leeuw cynisch? Helemaal niet. Hij was professioneel. Grange Court had hem geleerd dat kunst en business geen tegenpolen waren, maar complementair. Je kon technisch bekwaam zijn én marktbewust, emotioneel oprecht én strategisch slim. Hij verkocht geen leugens, maar gaf mensen wat ze werkelijk wilden: herkenning, geborgenheid, nostalgie, schoonheid. Het verschil was dat hij dit niet bij toeval of naïef deed, maar met voorbedachten rade.
Zijn winterlandschappen stralen inderdaad geborgenheid uit. Niet als spontane emotie, maar als een zorgvuldig geconstrueerd gevoel, gebaseerd op maanden van observatie, begrip van zijn doelgroep, en strategische positionering. Een tijdloze insteek die ervoor zorgt dat zijn winterlandschappen nog steeds aan de muur hangen, terwijl de meeste van zijn tijdgenoten vergeten zijn. Grange Court gaf hem één jaar. Hij destilleerde er een carrière van dertig jaar uit.
Naschrift:
Wie zich verdiept in het oeuvre van Alexis de Leeuw stuit vroeg of laat op een curieuze ontdekking: er zijn schilderijen van hem in omloop die een andere, bijna vreemde indruk maken. Niet de warme, Victoriaanse sneeuwlandschappen met paarden en gezellige gezinnen die we kennen, maar koelere, strengere ijsgezichten. Bevroren rivieren met piepkleine schaatsertjes, dorpsgezichten met kerktorens in de verte, monumentale eikenbomen, ietwat akelige grijsblauwe luchten. En een enkele keer staat er naast zijn handtekening één enkel woord: Kleve.
Kleve. Voor wie de 19e-eeuwse kunstwereld kent, is dat geen geografische aanduiding. Het is een statement. Een claim. Een kwaliteitszegel.
Want Kleve was in de jaren rond 1850 het Mekka van de Romantische landschapschilderkunst. Daar woonde Barend Cornelis Koekkoek, de ‘Prins der Landschapschilders’, die in 1841 zijn eigen tekenacademie had geopend en wiens boek ‘Herinneringen en Mededeelingen van eenen Landschapsschilder’ de Bijbel was geworden voor elke aspirant-winterlanschapsschilder. Jonge kunstenaars maakten pelgrimstochten naar Kleve zoals componisten naar Wenen gingen. Wie daar geweest was, wie daar geleerd had, mocht dat vermelden.
Kennelijk was De Leeuw ook geweest. En die atypische winterlandschappen van hem? Dat zijn kennelijk de werken van een jonge Belgische kunstenaar die naam probeerde te maken door de grootmeester te volgen. Hij schilderde ijsgezichten in de Koekkoek-traditie: technisch solide, compositorisch correct, thematisch authentiek. Zoals het hoorde. Maar het werkte niet.
De Belgisch-Nederlandse markt in de jaren 1850 zat vol met Koekkoek-navolgers. De markt was al verzadigd voordat hij arriveerde.
Rond 1857-1858 moet De Leeuw hebben ingezien dat zijn hij op een doodlopende weg was beland. Hij was 36 jaar, een kunstenaar zonder doorbraak. En dus emigreerde hij – niet als triomferende kunstenaar op zoek naar nieuwe markten, maar als een man die opnieuw moest beginnen. Grange Court was geen strategische keuze. Het was een baan die hij nodig had. Met kost en inwoning.
Maar juist daar, in die vernedering, lag zijn redding. Want wat Grange Court hem leerde, was iets dat ‘Kleve’ hem nooit had kunnen bijbrengen: niet hoe je schildert, maar voor wie je schildert. Niet de techniek, maar de markt. Niet de traditie, maar de transformatie.
De ijsgezichten die hij in Kleve had geleerd te maken – met hun kleine figuren tegen uitgestrekte landschappen, hun koele kleurenpalet, hun nadruk op de overweldigende natuur – pasten perfect in de Nederlandse Romantiek. Maar de Engelsen wilden iets anders. Zij wilden geen barre kou, maar Dickens’ gezelligheid. Geen dreigende natuur, maar Victoriaanse geborgenheid. Geen monumentale eiken, maar werkpaarden als helden van het platteland.
De Leeuw begreep dit. De winterlandschappen die we nu kennen – met hun paarden, hun gezinnen, hun warmte – zijn het bewijs van zijn tweede, nu succesvolle carrière. De Leeuws verhaal is dus geen verhaal van natuurlijk genie dat meteen slaagde. Het is een verhaal van professionele veerkracht. Van iemand die faalde, leerde, zich aanpaste, en uiteindelijk triomfeerde. Niet ondanks zijn mislukking in Kleve, maar dankzij die mislukking.
De schilderijen die we nu als ‘atypisch’ beschouwen zijn niet minderwaardige werken van De Leeuw. Ze zijn gewoon een eerdere versie.
