Zet twee winterschilderijen naast elkaar, één Hollands en één Vlaams, en let niet op de huisjes, molens of torens langs de bevroren sloten, maar op de mensen. In het Hollandse tafereel schaatst een figuurtje meestal van je vandaan: klein, donker, met de rug naar de kijker, opgelost in de zilveren nevel van een weidse lucht. Hij is geen persoon maar een toets — een accent dat de leegte accentueert. Het eigenlijke onderwerp van een Hollands schilderij is de stemming: het licht, de ruimte, de kou die van het paneel komt aanwaaien.
Hoe anders is een Vlaamse tafereel. Daar draait de schaatser zich óm. Hij kijkt je aan. Sterker nog, hij dóet iets: hij maakt het hof aan een melkmeisje, zit aan tafel op het ijs, of krijgt net een sneeuwbal in zijn nek. Elk figuurtje is een personage met een verhaal, en samen vormen ze een wemelend theater van kleine voorvallen. Hier is niet de lucht of het firmament het onderwerp, maar de menselijk maat.
Dat is het opmerkelijke verschil in beeldtaal: de Hollander schildert het ijs met een passant erop, de Vlaming schildert een karakteristieke persoon op het ijs. De eerste zoekt de stemming, de tweede het verhaal.
Niemand belichaamt dat verschil tussen Hollandse en Vlaamse winters beter dan Jan Michiel Ruyten (Antwerpen, 1813–1881). Als jonge Antwerpenaar trok hij rond 1835 naar Holland en met name naar het atelier van Wijnand Nuyen, de Haagse romanticus van de weidse, atmosferische lucht. Ruyten leerde er de Hollandse stemming; zijn vroege werk leunt er dicht tegenaan. Maar hij was en bleef een Vlaming, en waar de Hollander zijn schaatsers liet vervagen in de verte, haalde Ruyten ze naar voren, gaf hun een gezicht, een gebaar, een grap.
En hier zit het aardigste detail, dat de hele zaak in één beeld vangt: júist die Vlaamse gave maakte Ruyten gewild bij zijn Hollandse collega’s zélf. Hij stoffeerde, zo meldt zijn levensbeschrijver, “een schier ontelbaar aantal” schilderijen van bevriende collega’s. Hij zette er levensechte mensen op. Zo vervolmaakte Ruytens penseel andermans landschappen. Het vrijwel identieke hondje dat opduikt op een aan Petrus Gerardus Vertin toegeschreven wintergezicht — scherper en beter geschilderd dan de rest van de stoffage — is daarvan de vingerafdruk. De Vlaamse verteller leverde de figuren; de Hollandse landschapper leverde de lucht.
Dat Ruytens taferelen als verhalen gelézen werden, bewijst zijn vriend, de Antwerpse schrijver August Snieders. Bij een winters stadsgezicht van Ruyten schreef Snieders in 1862 het verhaal Sneeuwballen, waarin hij de geschilderde figuurtjes op Ruytens schilderij zelfs een naam geeft: Wannes, de arme stakker met de rode neus, verliefd op het blozende melkmeisje Truike, die hem net op het moment van zijn liefdesverklaring — door toedoen van een straatbengel — een sneeuwbal in de nek ziet vliegen. Uit dat ene beeld spint Snieders een levensles: dat ieder mens, koning en staljongen, zijn sneeuwballen te verduren krijgt, tot de laatste en hardste toe. Het schilderij is bij Ruyten geen stilleven van sfeer, maar de aanhef van een vertelling. En dat is geen toeval: Ruyten was ook boekillustrator, onder meer van de beroemde Vlaamse schrijver Hendrik Conscience. Het verhaal zat hem in het bloed.
Die drang om een verhaal te vertellen is niet iets van Ruyten alleen; ze is Vlaams, en ze is oud. Bekijk een schilderij van Pieter Bruegel de Oude en je vindt de oervorm: winterlandschappen die wemelen van het menselijk bedrijf — schaatsers, spelers, sloffende figuren, elk met zijn eigen kleine drama, tot in de verste hoek van het paneel. Bij Bruegel ís de menigte het onderwerp. Toen de Nederlanden zich na 1585 splitsten – in een katholiek, barok, beeldminnend Zuiden tegenover een calvinistisch, sober Noorden waar heiligenbeelden uit den boze waren — nam elk deel een andere weg. Dat cruciale moment in de geschiedenis van de Nederlanden, die scheiding der geesten markeert, heeft Ruyten merkwaardigerwijs op een van zijn doeken (‘De beeldenstorm’ getiteld) vereeuwigd, Het Noorden verfijnde de leegte, de lucht, het landschap; het Zuiden koesterde de volle, vertellende voorstelling. Ruytens frontale schaatsers zijn, over tweeënhalve eeuw heen, kleinkinderen van Bruegels drukbevolkt ijs.
En de lijn loopt door, tot ver voorbij de schilderkunst. Diezelfde Vlaamse voorkeur voor het leesbare, het volkse, het verhaal-in-beelden bloeit in de twintigste eeuw uit tot de Belgische strip. Het is veelzeggend dat de standaardbiografie van Willy Vandersteen, de vader van Suske en Wiske, eenvoudigweg De Bruegel van het beeldverhaal heet. Vandersteen putte bewust uit Bruegels volkse taferelen, en men heeft van hem gezegd dat hij, zoals Conscience zijn volk had leren lézen, de Vlamingen leerde stríps te lezen. Zo sluit de cirkel zich: Conscience, wiens boeken Ruyten illustreerde, en Vandersteen, de Bruegel van de strip, staan aan de twee uiteinden van dezelfde Vlaamse vertellijn — en Ruyten, met zijn schaatsers die je aankijken, staat er middenin.
