Louis Wilhelm Bernhard Eckermann (1879-1915) schilderde dit winterlandschap in de stijl van de befaamde Düsseldorfer Schule, een Duitse Kunstacademie waar menig docent zich liet inspireren door de Hollandse meesters uit de 17e eeuw.
Düsseldorf was omstreeks 1900 een magneet voor jonge schilders uit heel Europa. De Königlich-Preußische Kunstakademie had in de 19e een internationale reputatie opgebouwd die haar gelijke nauwelijks kende. Haar kracht lag deels in een paradox: Düsseldorfse schilders waren dol op Holland. De 17 eeuwse Hollandse meesters — hun licht, hun lucht, hun water — waren het grote voorbeeld. Schilders als Andreas Achenbach hadden de Hollandse traditie in het Rijnland geïntroduceerd, en generaties studenten en ook ervaren schilders kopieerden en improviseerden op dat erfgoed.
Louis Eckermann was een van hen. Hij studeerde en werkte enige tijd in Düsseldorf, absorbeerde de traditie, en leerde daar het vak. Toen hij in 1906 trouwde, stond in de huwelijksaankondiging van het Algemeen Handelsblad van 25 oktober 1906 dan ook vermeld: “W. L. B. Eckermann en H. M. van den Berg, Dusseldorf—Zandvoort.” Hij was op dat moment nog gedomicilieerd in Düsseldorf. De bruid woonde in Zandvoort. De liefde bracht hem kennelijk naar Nederland. Mogelijk had hij haar in de badplaats aan de Noordzeekust ontmoet. Want Zandvoort was in die jaren een levendig dorp aan de rand van het artistieke circuit. Schilders kwamen er al decennia voor de bomschuiten op het strand, het harde kustlicht en de Hollandse wijdte. Dat een jonge Düsseldorfse schilder daar zijn intrek nam en een plaatselijke vrouw trouwde, paste in een patroon dat destijds vaker voorkwam.
Eckermann heeft maar een klein oeuvre nagelaten, maar hij bleef steevast achter zijn naam signeren met ‘DfD’, de afkorting van ‘Düsseldorf’, een kwaliteitsmerk waar hij kennelijk trots op was. Dit winterlandschap toont een bevroren vaart met een afgemeerde tjalk, een vakwerkhuis met sneeuw op het rode pannendak, kale winterbomen, en een eenzame figuur die langs de oever loopt. De compositie — diagonale waterweg, atmosferische lucht, weerspiegeling op het ijs — is klassiek ‘Düsseldorfs’. Maar de onderwerpen zijn onmiskenbaar Hollands. Eckermann schilderde wat hij zag vanuit zijn nieuwe thuisland, met de technische vorming die hij had meegebracht uit Duitsland.
De vergelijking met zijn tijdgenoot Johann Jungblut (1860–1912) dringt zich op. Beiden werkten in hetzelfde genre, in dezelfde periode, met dezelfde Duits-Nederlandse kunstcirkel als context. Jungblut was losser van toets en atmosferischer; Eckermann nauwgezetter en meer academisch van hand. Maar de sfeer — die gedempte Hollandse winterstilte, die dreigende lucht, dat koude waterglinsteren — is bij beiden herkenbaar dezelfde.
Hij liet een klein oeuvre na. De productieve jaren waren kort — hij was amper negen jaar in Nederland toen hij in 1915 stierf, en niet al die jaren zullen even vruchtbaar zijn geweest. Zijn naam verdween al snel uit de kunstliteratuur. De veilinghuizen kenden hem niet. Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie RKD registreerde hem niet. Hij was een Duits-Nederlandse schilder in de meest letterlijke zin: geboren in Duitsland, gestorven in Nederland, en schilderend in het fascinerende overgangsgebied tussen beide culturen.
Het schilderen zat hem in zijn bloed. Een familielid (wellicht zijn oudoom) Karl Eckermann was een vermaarde kunstschilder en een andere (verre) voorvader, Johann Peter Eckermann, had ook talent voor schilderen. Uiteindelijk vergaarde deze man echter roem op een ander vlak. Hij interviewde Goethe in de nadagen van zijn leven en schreef op grond daarvan ‘Gespräche mit Goethe in den letzten Jahren seines Lebens’. Volgens de Nederlandse bibliofiel Boudewijn Büch was dit het mooiste interviewboek dat hij kende. En Friedrich Nietzsche zei dat het überhaupt het beste Duitse boek was dat er bestond.
