Op Oudejaarsavond van het jaar 2021 sneuvelde een record. Want nooit eerder, sinds het begin van de metingen, werd het op 31 december zo warm als juist die dag. En amper een paar dagen daarna werd alweer een record gebroken: het was nog niet eerder gebeurd, zei het KNMI, dat het zo vroeg in het jaar zo warm was. Vijftien graden in Maastricht.
Het was een teken aan de wand.
De de schilders die we hier beschrijven — Schelfhout, Leickert, Apol, Klinkenberg — legden geen uitzondering vast. Zij schilderden de ‘gewone wereld’. De bevroren gracht was een feit, geen wonder. De schaatser op het ijs was geen fantasiefiguur, maar een alledaagse buurman. De koek-en-zopie-tent langs de vaart was zo ‘normaal’ als een bakker op de hoek. En een vorstperiode die weken kon duren — met krakend ijs en rossig licht over de polder — was geen uitzondering. Zij was de regel.
Die regel bestaat niet meer.
In april 2025 verscheen de Europese staat van het klimaat, opgesteld door honderd klimaatwetenschappers onder leiding van het Europese weercentrum ECMWF. Het rapport schetst wat satellietbeelden, thermometers en waterstandmeters samen registreren: Europa warmt op met ruim een halve graad per tien jaar — twee keer zo snel als de rest van de wereld. Terwijl de gemiddelde temperatuur op aarde 1,4 graden boven het pre-industriële peil ligt, is Europa al 2,5 graden opgeschoven.
Europa is wereldkampioen opwarming.
Dat heeft gevolgen die je kunt zien op een kaart. Vóór 1990 behoorden Groningen, Friesland en Drenthe nog tot het gebied waar je kon rekenen op twee aaneengesloten weken met vorst. Nu ligt die grens ver weg. In 2025 moest je voor diezelfde twee weken vorst reizen tot aan Polen. De vorstperiodes trekken oostwaarts, als een herinnering die langzaam uit ons geheugen wijkt.
Aan het einde van het winterseizoen 2024–2025 lag er 31 procent minder sneeuw op het Europese continent dan normaal. Niet in het hoge noorden of op de toppen van de Alpen — maar in de brede middenband, van de Benelux tot de Balkan, de strook waar de meeste mensen wonen en waar de meeste winters ooit werden vereeuwigd op schilderijen, op foto’s of in het collectief geheugen.
In de Alpen werden de gletsjers het afgelopen jaar opnieuw 1 tot 2 meter dunner. Op Groenland verdween in 2025 ongeveer 139 miljard ton ijs — anderhalf maal het totale volume van alle Alpengletsjers bij elkaar, en dat in één jaar. De zeespiegel stijgt inmiddels met 3,6 millimeter per jaar. In 2100 staat het water naar schatting een halve meter hoger dan nu.
De CO₂-concentratie in de lucht stijgt ondertussen jaar na jaar met 2,6 deeltjes per miljoen — een lijn die al tientallen jaren kaarsrecht omhooggaat, alsof er niets veranderd is.
Er is nog een griezelig scenario. Nabij IJsland bevindt zich wat klimaatexperts ‘de koude blob’ noemen: een deel van de Noord-Atlantische Oceaan dat nauwelijks opwarmt — en dat een voorbode kan zijn van het afremmen van de Golfstroom. Als die stroom zijn warmte niet meer noordwaarts pompt, kan er een plaatselijke mini-ijstijd ontstaan. Maar het zou een verkeerde troost zijn. Want de winter die dan terugkeert, is niet de winter die wij kennen. Levert niet het zachte, bewoonbare, schaatsvriendelijke ijs van de grachten en de polders. Maar is anders — ontwrichtend, onherkenbaar. De traditionele winter van Schelfhout hoort bij een wereld in evenwicht. En dat is precies het evenwicht dat wij verliezen.
Zo urgent voelde de dreiging al in december 2016, dat de ‘schaatstraditie op natuurijs’ officieel werd opgenomen in de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed. Als erkenning van iets kostbaars, iets kwetsbaars. Sindsdien bestaat er een Gilde van Natuurijsmeesters: mensen die de kennis over ijsgroei en ijsveiligheid bewaken en doorgeven aan nieuwe generaties. Het is een prachtig gebaar. En tegelijk schrijnend — want wat bewaart een meester van zijn ambacht, als het ijs verdwijnt?
In musea verschuift ondertussen de blik. Waar een oudere bezoeker voor een winterlandschap van Hendrick Avercamp vaak putte uit zijn eigen geheugen — de geur van koek-en-zopie, de sensatie van half bevroren tenen — kijkt een kind vandaag naar hetzelfde doek als naar een historische fantasie. Het ijs is voor een kind geen herinnering, maar een raadsel. Bijna net zo exotisch als een landschap op een andere planeet. Wij zijn, in één generatie, van een feest van herkenning naar een wereld van verwondering gegaan. Het schilderij is niet veranderd. Wij wel.

Dat is niet zonder gevolgen.
De Duitsers hadden, een halve eeuw geleden, ‘das grosse Waldsterben’ — het afsterven van de bossen door verzuring. In de beleving van velen was dat een aantasting van de Duitse ziel zelf. Wie aan de bossen komt, komt aan de identiteit van een volk. De opwinding was enorm, de rouw was echt.
Wij Nederlanders hadden onze winter.
Niet als ongemak — als gladde stoep of vertraagde trein. Maar de winter als onmisbaar seizoen, waarin het land even stilstond, het water bevroor en de schaatsen ondergebonden werden. De winter als de tijd van gezamenlijkheid langs de vaart, van het hopen en wachten op de elfstedentochten. De winter was een decor, waarin wij onszelf herkenden — niet alleen in de natuur, maar ook binnenshuis, in de schilderijen van Schelfhout en zijn tijdgenoten, in de verhalen van grootouders, in de beelden die generaties lang werden overgeleverd: zo zijn wij. Maar ‘zijn’ is ‘waren’ geworden, verleden tijd.
Wat gaat het met ons doen, nu die winter verdwijnt?
Het is geen retorische vraag. De klimaatverandering vormt niet alleen een fysieke bedreiging — voor dijken, rivieren, gewassen en steden. Door het verdwijnen van de winters loopt er ook iets anders gevaar: onze identiteit, als individu, als groep, als samenleving. Van wat wij herkennen als onze eigenheid: landschap, ons eigen seizoen, onze rituelen en omgangsvormen, onze eigen verbeelding.
De schilderijen die wij hier tonen en beschrijven zijn meer dan kunsthistorische documenten. Zij zijn getuigenissen van een wereld die bestond — en die steeds verder achter ons ligt. Tegelijk zijn zij iets anders: een aanklacht, een vraag, een spiegel.
Wie zijn wij, zonder de winter?
