
Ik ben een raar verhaal op het spoor.
En ik begin het alvast te vertellen, maar weet nu nog niet waar het eindigt….
Gisteren kocht ik via Marktplaats een schilderij, gemaakt op een schilderspalet. Ik vond het fraai, zelfs zo goed uitgewerkt dat ik me afvroeg of het wel écht geschilderd was. De dame die het aanbood, verzekerde me bij hoog en laag dat het geen reproductie was, maar een schilderij. Dus besloot ik het te kopen.
Vandaag kwam het binnen en ik toog aan het werk om het schoon te maken. Dat doe ik altijd, omdat veel schilderijen ‘opleven’ als je de aanslag verwijderd. En zo gebeurde het dat rechtsonder de naam van de kunstenaar zichtbaar werd: ‘C. d’Orjo de Marchovelette’.
Een dubbele naam, wellicht van een adellijk type?
Uiteraard wilde ik meer over de maker van dit mooie werkje aan de weet komen. En zo belandde ik in een heuse speurtocht die me ook naar plekken bracht waar je liever niet gezien wilt worden. Zoals in de hel op aarde, een Franse loopgraaf in de Eerste Wereldoorlog.
Want de enige ‘C. d’Orjo de Marchovelette’ die ik na intensief speurwerk kon vinden, was een zekere Charles die op 16-jarige leeftijd in de loopgraven bij Duinkerken sneuvelde. Ik zeg het eigenlijk verkeerd: hij kwam om het leven toen hij uít de loopgraaf kroop en over het prikkeldraad sprong om in het niemandsland tussen de twee frontlinies, een boek terug te halen. Het boek was door een andere soldaat weggeworpen. Van wie het boek was, weet ik niet. Maar kennelijk was het voor de 16-jarige Charles van levensbelang.
Over boeken gesproken: op 19 november 1914, precies op de dag dat er een einde kwam aan het prille bestaan van Charles d’Oro de Marchovelette, lezen we in het dagboek van de Belgische schrijver Stijn Streuvels:“Het geschut klinkt weer in ’t westen. Het sneeuwt en men denkt aan de veldslag van Moskou als men de auto’s ziet voorbijsnorren met Duitsers die tot over de oren in de pelzen gewikkeld zijn, die aan Russen gelijken.”
Terug naar de kind-soldaat Charles. Hoe kan iemand op zijn zestiende soldaat worden? Ik lees dat hij bij de autoriteiten had gelogen over zijn leeftijd; kennelijk omdat hij uit pure vaderlandsliefde wilde meestrijden tegen de Duitsers. Die strijdlust zat waarschijnlijk in zijn genen, want talrijke familieleden van het geslacht d’Orjo bekleedden al vanaf de 14e eeuw hoge militaire functies. Hoe het ook zij, de 16-jarige Charles werd na zijn dood in zijn geboortedorp Oudergem geëerd als held. Er werd zelfs een straatnaam naar hem vernoemd. De Houtstraat in Oudergem, die al sinds mensenheugenis zo heette, werd omgedoopt in de ‘C. d’Orjo de Marchovelettelaan’.
Van de jonge soldaat Charles is niet bekend of hij schilderde. Dat maakt hem dus, ondanks het feit dat zijn naam onder het schilderij prijkt, een onwaarschijnlijke kandidaat. Maar hoe komt zijn naam dan op het kunstwerk terecht?
Ik zoek verder en ontdek dat er liefst vier schilders zijn die bijna exact hetzelfde schilderij, ooit in hun carrière hebben gemaakt. Zo is er de Britse schilder, leraar én dominee Louis Ward (1913-2005) die talrijke boeken illustreerde en een waterverfschilderij maakte, waarop we bijna dezelfde figuren, schaatsend op het ijs, zien: de man dus met de dwarse steek op zijn hoofd en zijn gezellin met haar bontkraag in 18e eeuwse kledij. Louis Ward maakte het als illustratie, bedoeld als toegift bij een pakje sigaretten. Dat lees ik, en ook dat de sigarettenfabrikant het ontwerp uiteindelijk niet vond passen bij de uitstraling van het merk.
Louis Ward valt volgens mij af. Want mijn schilderij op palet is geen werk uit de 20ste, maar uit de 19e eeuw. Het is ouder. En zo kom ik op mijn speurtocht terecht bij een andere kandidaat, Henri Saint-Meuris (1860-1900) die op een groot schilderij precies hetzelfde tweetal heeft afgebeeld als op ‘mijn’ schilderij.
Dat kan natuurlijk geen toeval zijn.
Maar het wordt nog merkwaardiger als ook een andere 19e eeuwse schilder wederom exact hetzelfde schilderij gemaakt blijkt te hebben: de Nederlandse kunstschilder Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902), een vermaarde schilder van historiestukken die ook veel boeken illustreerde. De Franse kunsthandelaar Goupil haalde hem destijds naar Parijs en liet Frederik Hendrik Kaemmerer daar veel genrestukken schilderen (die goed verkochten). Als ik het oeuvre van Henri Saint-Meuris en Frederik Hendrik Kaemmerer eens goed bekijk, valt me de grote gelijkenis tussen hun schilderijen op. Zijn beide schilders misschien een en dezelfde persoon?
Voordat ik me in die vraag kan verdiepen, duikt plotseling nog een kandidaat op. Zijn schilderij van de elegante man op het ijs en de dame met een bontkraag lijkt als twee druppels water op het mijne. Ik zie dat het kunstwerk een aantal jaren geleden via een internationaal vermaard veilinghuis werd aangeboden. Voor veel geld. Bij de korte beschrijving staat: ‘schilderij van een kunstschaatser’ (1905). De maker is Eugène Lemercier (1888-1915).
Hij was, zo lees ik in het bijschrift, een alleskunner die literair begaafd was, muziek componeerde en al op 13-jarige leeftijd toegelaten werd tot de prestigieuze Ecole des Beaux Arts van Parijs vanwege zijn teken- en schildertalent.
Merkwaardigerwijs is Eugène Lemercier in dezelfde loopgravenoorlog gesneuveld als Charles d’Oro de Marchovelette, de jongeman waarvan de naam op mijn schilderij prijkt.
Nu moet mij iets van het hart: tot op de dag van vandaag had ik nog nooit van Lemercier gehoord. Hij blijkt echter een regelrechte beroemdheid te zijn. De vele brieven die hij dagelijks vanuit de loopgraven aan zijn moeder schreef, zijn na de oorlog in een boek gebundeld onder de titel ‘Brieven van een Soldaat’. Het is een alom geprezen boek, dat een treffend en persoonlijk beeld geeft van het leven, het leed en de emoties van een soldaat aan het front. Het laat zien wat de oorlog betekent voor de individuele mens, met zijn angsten, hoop en verdriet.
Dit brievenboek van Lemercier werd, net zoals ‘Im Westen nichts Neues’ van de Duitse ex-soldaat Erich-Maria Remarque, een klassieker en inspireerde de Amerikaanse poëet Wallace Stevens tot het schrijven van zijn wereldberoemde gedicht ‘The death of a soldier’, dat in 1931 gepubliceerd werd. Daardoor werd Lemercier nóg beroemder.
Ik nader nu het einde van mijn verhaal, maar weet eigenlijk nog steeds niet wie het kunstwerk dat bij mij thuis aan de muur hangt, heeft gemaakt. Mogelijk is het Eugène Lemercier, maar dat allerminst zeker.
Eén ding is wel duidelijk: mijn zoektocht, en daarmee dit verhaal, eindigt precies daar waar het begonnen is: in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. En ik zal elke keer, als ik het lieflijke schilderijtje aan de muur zie hangen, tegelijkertijd twee andere beelden zien: dat van een kunstenaar die zijn moeder hartverscheurende brieven schrijft vanuit de loopgraven én dat van een jongen die over prikkeldraad springt om een boek van het slagveld te redden.





Naschrift:
Hoe dan ook, vaststaat dat Charles d’Orjo de Marchovelette die in 1914 op 16-jarige leeftijd in de loopgraven sneuvelde, dit werk niet gemaakt kan hebben. Daarvoor is de schilderkunst te volwassen, te beheerst. Ik laat nu technisch onderzoek doen. En wat blijkt? De inscriptie ‘C. d’Orjo de Marchovelette’ is later toegevoegd op een droge verflaag, overigens door iemand met schilderkundige vaardigheid. Iemand die geen angst had om met penseel en olieverf een kunstwerk te personaliseren.
Maar wie schreef de naam op het schilderspalet? En waarom?
Voordat we dit raadsel oplossen, moeten we ons eerst verdiepen in de naam van de mogelijke maker. Er zijn talrijke kandidaten die, precies dit motief met de galante man en dame, rond 1900 geschilderd hebben. Maar stilistisch wijst uiteindelijk alles naar één persoon: Frederik Hendrik Kaemmerer (1839–1902), een Nederlandse schilder die zijn carrière maakte in Parijs.
Kaemmerer schilderde precies dit soort scènes: elegante figuren in 18e-eeuwse kostuums, slanke gestalten die met zwierige gebaren door historiserende landschappen bewegen. Het zijn scènes zonder drama, zonder verhaal eigenlijk. Slechts een moment van decoratieve galanterie. Dat is zijn kenmerk. Specifiek op dit schilderij zien we trouwens een ijstafereel. Ook dat verwijst nadrukkelijk naar een maker van Nederlandse oorsprong.
Toch is het doorslaggevende argument niet alleen de stijl of de voorstelling. Nee, wat nadrukkelijk naar de zeer bekwame Kaemmerer wijst is de routinematige beheersing. Dit palet vertoont geen zoekende correcties, geen aarzeling. De figuren zijn uit de losse pols geschilderd, met een vanzelfsprekendheid die alleen ontstaat na tientallen herhalingen. Oefening baart kunst. Kaemmerer had dergelijke scènes zijn hele leven geschilderd — voor hem was dit een beproefd thema.

In tegenstelling tot tijdgenoten zoals Henri Saint-Meuris, die hun scènes vaak overladen met anekdotiek en soms wat klungelige details, blijft Kaemmerer altijd soepel, altijd in balans. Dit palet past naadloos in zijn late Parijse periode, toen hij als gevestigde kunstenaar vrij kon improviseren.
En dan is er Goupil.
Kaemmerer stond onder contract bij Goupil & Cie, destijds één van de machtigste kunsthandels van Europa. Goupil had vestigingen in Parijs, Londen, New York, Berlijn — en Brussel. Het huis bediende een internationale elite: aristocratische families, vermogende burgerij, verzamelaars die waarde hechtten aan artistieke reputatie en sociale correctheid.
Voor de oeroude Belgische adellijke familie d’Orjo de Marchovelette was een aankoop bij Goupil niet alleen een kwestie van smaak, maar ook van status. Het garandeerde kwaliteit, beschaving, aanzien. Dat zij een klein, persoonlijk kunstwerk bij Goupil zou aanschaffen — bijvoorbeeld ter gelegenheid van een geboorte of verjaardag — is volkomen logisch.
Maar was het kunsthandel ‘Goupil’ zelf die de naam ‘C. d’Orjo de Marchovelette’ op het palet aanbracht? Theoretisch mogelijk, maar onwaarschijnlijk. De inscriptie is, zoals gezegd, later aangebracht. Maar wel technisch te zeker en persoonlijk. Dit is geen commerciële handeling, maar een intieme markering. Iemand anders heeft dit gedaan, iemand uit de familie wellicht? Maar wie dan?
De naam ‘C. d’Orjo de Marchovelette’ roept onmiddellijk een beeld op van Charles, de jongen die in 1914 sneuvelde, nauwelijks zestien jaar oud. Het is een tragisch verhaal, en het ligt voor de hand om te denken dat het palet een geschenk was aan deze jonge Charles, misschien bij zijn geboorte of vroege jeugd.
Maar na grondig genealogisch onderzoek blijkt dat er nog een mogelijke kandidaat is, een andere ‘Charles’ dus.
Anders dan zijn naamgenoot overleefde deze Charles de Eerste Wereldoorlog. Hij maakte carrière in het Belgische leger en schopte het uiteindelijk tot luitenant-generaal. Geboren in 1888, komt ook hij in aanmerking als de ontvanger van het geschenk, dat (zeker in adellijke kringen) een grote pedagogische waarde heeft: de galante scène op het palet is een toonbeeld van ridderlijk gedrag, van hoe een edelman zich hoort te gedragen: beschermend, attent, beheerst. En vooral ‘hoffelijk’. In de 19e-eeuwse aristocratische opvoedingscultuur was dit een normatief beeld — geen afspiegeling van de kindertijd, maar een ideaal voor de toekomst. Hoe dan ook, het schilderspalet was een geschenk. Maar wie had de naam ‘C. d’Orjo de Marchovelette’ eronder gezet in mooi gekalligrafeerde letters?
Binnen de adellijke familie was er één persoon met de technische vaardigheid om een dergelijke inscriptie aan te brengen: Thérèse d’Orjo de Marchovelette (1863-1950), een porselein-schilderes die in de jaren 1880 actief was. In talrijke salons exposeerde ze haar werk.
Thérèse woonde aan de Rue des Moissons 13 in Elsene, een welgestelde, residentiële wijk in Brussel met herenhuizen en ateliers. En precies in deze wijk werd de ‘tweede’ Charles geboren in 1888. Om de hoek bij tante Thérèse dus (anders trouwens an de andere Charles die in 1898 in Aken geboren werd).
Waarschijnlijk was Thérèse de schenker. Als porselein-schilderes beschikte zij immers over precies die vaardigheid die nodig was om met olieverf, op een reeds droge verflaag, een kalligrafische inscriptie aan te brengen, zonder het onderliggende kunstwerk te beschadigen. Je zet niet zomaar een naam op een kunstwerk. Dat vergt vertrouwen, technische beheersing, en een persoonlijke band met de ontvanger. Thérèse had dat alles. Bovendien: op een door haar geschilderd kunstwerk dat onlangs via een veilinghuis werd aangeboden, herkennen we exact hetzelfde handschrift als op het paneel van Kaemmerer.
Stilletjes aan wordt het plaatje compleet.
Kaemmerer heeft het palet waarschijnlijk net vóór of in 1888, op het hoogtepunt van zijn carrière, geschilderd, Thérèse heeft het bij kunsthandel Goupil in Brussel gekocht en de naam van haar neef eronder geschreven. En waarschijnlijk kreeg de dichtstbij wonende Charles, degene die de oorlog wel overleefde, het als geschenk.
Het palet ligt nu voor me op tafel. Het heeft niet alleen zijn reis door de tijd overleefd, maar ook zijn verhaal hervonden. Een verhaal over meesterschap, adellijke opvoedingsprincipes en familierelaties. Een verhaal ook dat vertelt hoe een tante ooit de naam van haar neefje liefdevol op een kunstwerkje schreef.